ECLI:NL:RBDHA:2024:6036
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen WOZ-waarde woning gemeente Alphen aan den Rijn
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van zijn woning, vastgesteld op €226.000 per 1 januari 2021, en stelde een lagere waarde van €213.000 voor. De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld, mede door het gebruik van vergelijkingsobjecten en correcties voor kwaliteitsverschillen.
Belanghebbende voerde aan dat kunststof kozijnen geen bovengemiddeld kwaliteitsniveau rechtvaardigen en dat de prijs per eenheid grond en indexatie onvoldoende inzichtelijk waren gemaakt. De rechtbank achtte de vergelijkingsobjecten en de onderbouwing van de heffingsambtenaar overtuigend, en concludeerde dat de grondstaffels en tijdscorrecties adequaat waren toegelicht.
Een aanvullende grief over schending van artikel 40, tweede lid, Wet WOZ werd te laat ingebracht en daarom buiten beschouwing gelaten. Hoewel sprake was van een geringe overschrijding van de redelijke termijn, werd geen vergoeding voor immateriële schade toegekend omdat belanghebbende deze reeds aan zijn gemachtigde had gecedeerd.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde van €226.000 wordt ongegrond verklaard.