ECLI:NL:RBDHA:2024:613
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vreemdelingenwet
Verzoeker, een Chinese nationaliteit dragende persoon zonder verblijfsvergunning, heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn aanvraag voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 af te wijzen.
De voorzieningenrechter beoordeelt het verzoek om een voorlopige voorziening, waarbij verzoeker onder meer vraagt om voortzetting van opvang door het COA en uitstel van uitzetting gedurende de bezwaarprocedure. Het Bureau Medische Advisering (BMA) heeft geadviseerd dat de noodzakelijke medische behandeling ook in China kan worden voortgezet en dat uitblijven van behandeling pas binnen drie tot zes maanden tot een medische noodsituatie leidt.
De voorzieningenrechter stelt vast dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft omdat er geen inhoudelijke gronden zijn aangevoerd tegen het besluit. Ook kan de rechter in deze voorlopige voorziening niet aan het COA opdragen de opvang voort te zetten. Daarom wordt het verzoek afgewezen. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van uitstel van vertrek wordt afgewezen.