ECLI:NL:RBDHA:2024:6160

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 april 2024
Publicatiedatum
24 april 2024
Zaaknummer
AWB 24/6886
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 64 Vw 2000Art. 3 lid 3 Rva 2005Art. 8:83 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen beëindiging opvang en verstrekkingen aan kwetsbare vreemdeling

Verzoeker, een kwetsbare vreemdeling met psychiatrische problematiek, verzocht om toepassing van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, nadat de staatssecretaris zijn aanvraag om uitstel van vertrek had afgewezen. Het COa kondigde aan de Rva-verstrekkingen per 6 mei 2024 te beëindigen. Verzoeker stelde beroep in en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker er belang bij heeft de beslissing op het beroep af te wachten en dat dit belang zwaarder weegt dan het belang van het COa bij handhaving van het besluit. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen, waarbij het COa werd opgedragen verzoeker te behandelen alsof artikel 64 Vw Pro 2000 van toepassing is totdat het beroep is beslist.

De voorzieningenrechter vond de maatregel niet ingrijpend, omdat het neerkomt op het bevriezen van de status quo. Tevens werd het COa veroordeeld tot betaling van de proceskosten van verzoeker ad € 875,-. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen en de Rva-verstrekkingen aan verzoeker worden niet beëindigd totdat op het beroep is beslist.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 24/6886

uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 april 2024 in de zaak tussen

[naam], verzoeker

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. E.C. Gelok),
en

het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa).

Inleiding

1. Verzoeker heeft verzocht om toepassing te geven aan artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (de staatssecretaris) heeft dat verzoek bij besluit van 27 september 2023 afgewezen. Verzoeker heeft daartegen bezwaar gemaakt. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorziening te treffen. Dit verzoek staat bekend onder zaaknummer NL24.30864.
2. Het COa heeft bij brief van 19 april 2024 aangegeven dat de Rva-verstrekkingen van verzoeker op 6 mei 2024 zullen worden beëindigd. Het COa heeft aan dat besluit ten grondslag gelegd dat de staatssecretaris bij besluit van 27 september 2023 de aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vw 2000 heeft afgewezen.
3. Verzoeker heeft daartegen beroep ingesteld. Dit beroep staat bekend onder zaaknummer AWB 24/6884. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorziening te treffen. Dit verzoek staat bekend onder zaaknummer AWB 24/6886.
4. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op dit verzoek. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
5. Omdat het verzoek kennelijk gegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk gegrond is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

6. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker in een brief van 16 april 2024 in verband met het beëindigen van de Rva verstrekkingen de voorzieningenrechter heeft gevraagd om een uitspraak te doen op het verzoek om een voorlopige voorziening bekend onder zaaknummer NL23.30864. Verzoeker heeft gemotiveerd aangegeven dat hij een kwetsbaar persoon is. Ook heeft hij gevraagd dit verzoek om een voorlopige voorziening en het verzoek om een voorlopige voorziening in de COa zaak gevoegd te behandelen. Naar aanleiding van deze brief heeft de voorzieningenrechter de staatssecretaris op 18 april 2024 gevraagd aan te geven wanneer een beslissing op bezwaar wordt verwacht en of de staatssecretaris kan ingaan op de brief van verzoeker.
7. De voorzieningenrechter stelt vast dat de staatssecretaris op 23 april 2024 een beslissing op bezwaar heeft genomen. In het verweerschrift van 24 april 2024 heeft de staatssecretaris aangegeven dat het verzoek om een voorlopige voorziening connex was aan het bezwaarschrift. Omdat op 23 april 2024 een beslissing is genomen op het bezwaar, de termijn voor het indienen van beroep net is ingegaan en niet is gebleken van een
beroepschrift en een petitumwijziging van het verzoek, wordt niet langer voldaan aan het connexiteit vereiste, aldus de staatssecretaris.
8. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker er belang bij heeft om de beslissing op het beroep tegen het besluit van het COa om de Rva-verstrekkingen te beëindigen in de opvang af te mogen wachten. Dit belang weegt zwaarder dan het belang van het COa bij onverkorte handhaving van de rechtsgevolgen van het besluit van 23 april 2024. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat verzoeker bekend is psychiatrische problematiek. De voorzieningenrechter zal daarom het verzoek toewijzen en het COa daarbij opdragen verzoeker te behandelen als ware artikel 64 van Pro de Vw 2000 op hem van toepassing, totdat op het beroep van verzoeker is beslist. Dit betekent dat verzoeker op grond van artikel 3, derde lid, aanhef en onder f, van de Rva 2005 opvang moet worden geboden.
9. Toewijzing van het verzoek acht de voorzieningenrechter niet zeer ingrijpend. De gevraagde voorziening houdt in dat het COa wordt geboden er op toe te zien dat verzoeker het recht op (opvang)voorzieningen gedurende de beroepsfase behoudt. Dit komt in feite slechts neer op het bevriezen van de status quo, zonder dat wordt vooruitgelopen op de uitkomst van de beroepsfase.
10. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, krijgt verzoeker ook een vergoeding voor zijn proceskosten. Het COa moet dit betalen. Deze vergoeding bedraagt € 875,-, omdat de gemachtigde van verzoeker een verzoekschrift heeft ingediend.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek toe;
  • treft de voorlopige voorziening dat de verstrekkingen aan verzoeker niet op 6 mei 2024 worden beëindigd maar pas na een beslissing op het beroep van verzoeker tegen het COa-besluit van 19 april 2024;
  • veroordeelt het COa in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 875,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W.C.M. van Emmerik, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Buikema, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.