ECLI:NL:RBDHA:2024:6169

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 april 2024
Publicatiedatum
24 april 2024
Zaaknummer
NL24.16839
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 AwbArt. 73 lid 3 Vreemdelingenwet 2000Richtlijn 2001/55/EGUitvoeringsbesluit (EU) 2022/382
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening toegewezen voor behoud tijdelijke bescherming derdelander Oekraïne

Verzoeker, een derdelander uit Oekraïne, kreeg op 21 februari 2024 een terugkeerbesluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid dat zijn tijdelijke bescherming per 5 maart 2024 beëindigt en hem verplicht de EU binnen vier weken te verlaten.

Verzoeker maakte bezwaar tegen een feitelijke handeling waarbij hij uit de opvang werd gezet en niet werd toegelaten zonder voorlopige voorziening. Hij verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening zodat hij tijdens de bezwaarprocedure zijn tijdelijke bescherming en bijbehorende voorzieningen behoudt.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het verzoek kennelijk gegrond is, mede vanwege lopende prejudiciële vragen bij het Hof van Justitie van de EU en eerdere voorzieningen van de Afdeling bestuursrechtspraak. Daarom moet verzoeker voorlopig worden behandeld alsof hij nog onder de tijdelijke beschermingsrichtlijn valt, met behoud van opvang en werk.

De staatssecretaris is veroordeeld tot betaling van de proceskosten van € 875,-. De uitspraak is zonder zitting gedaan en bindt niet in een bodemprocedure. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: Verzoeker wordt voorlopig behandeld alsof hij nog onder de tijdelijke beschermingsrichtlijn valt, met behoud van opvang en werk.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.16839

uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 april 2024 in de zaak tussen

[naam], V-nummer: [nummer], verzoeker

(gemachtigde: mr. C.E. van Diepen),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

Inleiding

1. In het besluit van de staatssecretaris van 21 februari 2024 heeft de staatssecretaris vastgesteld dat verzoeker met ingang van 5 maart 2024 niet langer rechtmatig in Nederland verblijft, dat hij de Europese Unie binnen vier weken ná 4 maart 2024 moet verlaten en dat hij moet terugkeren naar zijn land van herkomst (terugkeerbesluit). De staatssecretaris heeft dit terugkeerbesluit genomen omdat de tijdelijke bescherming onder Richtlijn 2001/55/EG en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van 4 maart 2022 volgens de staatssecretaris van rechtswege eindigt na 4 maart 2024.
2. Verzoeker heeft op 16 april 2024 bezwaar gemaakt tegen een feitelijke handeling als bedoeld in artikel 73, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Verzoeker heeft in dit verband aangegeven dat de gemeente Heerenveen hem uit de opvang heeft gezet en heeft laten weten dat hij zonder toegewezen verzoek om een voorlopige voorziening niet zal worden toegelaten tot de opvang. Ook heeft verzoeker aangegeven dat hij een afspraak heeft gehad voor het verkrijgen van een nieuw bewijs van rechtmatig verblijf. Hij is tijdens die afspraak weggestuurd. Tegen die feitelijke handeling richt zich dit bezwaar.
3. Verzoeker heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, die inhoudt dat hij tijdens de behandeling van het bezwaar zijn tijdelijke bescherming en de daarbij behorende voorzieningen behoudt.

Beoordeling van de voorzieningenrechter

4. Omdat het verzoek kennelijk gegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk gegrond is.
5. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
6. De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft op 2 april 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1366) in zes zaken een voorlopige voorziening getroffen. In die uitspraken is gewezen op de verwijzingsuitspraak van zittingsplaats Amsterdam waarbij prejudiciële vragen zijn gesteld aan het Hof van Justitie van de EU, en de uiteenlopende en verschillende oordelen van andere zittingsplaatsen van deze rechtbank. Daarin ziet de voorzieningenrechter van de Afdeling aanleiding om de beantwoording van de prejudiciële vragen af te wachten. Om die reden is bepaald dat de betreffende vreemdelingen niet worden uitgezet en dat zij worden behandeld alsof het recht op tijdelijke bescherming bedoeld in de Richtlijn Tijdelijke Bescherming, en de daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluiten, op hen van toepassing is, totdat op het door hen ingestelde hoger beroep is beslist.
7. De voorzieningenrechter heeft verder kennis genomen van de brief van 3 april 2024 van de staatssecretaris aan gemeenten waarin hij schrijft dat de door de voorzieningenrechter van de Afdeling getroffen voorzieningen alleen betrekking hebben op de zes betreffende vreemdelingen en dat gemeenten door kunnen gaan met het beëindigen van de opvang van andere derdelanders, zolang in individuele zaken geen ordemaatregel of voorlopige voorziening is getroffen.
8. Gezien het voorgaande is het op dit moment onduidelijk of de tijdelijke bescherming van derdelanders zoals verzoeker per 4 maart 2024 is geëindigd, welke rechten verzoeker nog heeft en op welke wijze hij die rechten kan effectueren. Daarom ziet de voorzieningenrechter na afweging van de betrokken belangen aanleiding om het verzoek toe te wijzen in die zin, dat verzoeker dient te worden behandeld als een vreemdeling die (nog) onder de werking van Richtlijn 2001/55/EG valt totdat op het bezwaar is beslist. Het treffen van de voorlopige voorziening betekent dat verzoeker voorlopig niet uit Nederland hoeft te vertrekken, dat hij zijn recht op opvang behoudt en dat hij mag blijven werken.
9. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, krijgt verzoeker ook een vergoeding voor zijn proceskosten. De staatssecretaris moet dit betalen. Deze vergoeding bedraagt € 875,-, omdat de gemachtigde van verzoeker een verzoekschrift heeft ingediend.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek toe in die zin dat de verzoeker dient te worden behandeld als een vreemdeling die (nog) onder de werking van Richtlijn 2001/55/EG valt totdat op het bezwaar is beslist;
  • veroordeelt de staatssecretaris tot het betalen van de proceskosten tot een bedrag van € 875,- voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W.C.M. van Emmerik, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Buikema, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.