Art. 2:15 APV gemeente HillegomArt. 3:2 AwbArt. 6:22 Awb
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Last onder dwangsom wegens verkeersonveilige haag bij uitrit in strijd met APV
Eiser woont aan een adres in Hillegom en heeft een haag bij zijn uitrit die volgens het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hillegom het oprijzicht belemmert, wat een verkeersonveilige situatie oplevert. Op grond daarvan is aan eiser een last onder dwangsom opgelegd om de haag in de breedte met de helft te verminderen.
Eiser betoogt dat het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen omdat hij geen zienswijze mocht indienen voorafgaand aan de last onder dwangsom en dat de APV niet van toepassing is op de uitrit. Daarnaast voert hij aan dat het vrije uitzicht niet volledig wordt belemmerd en dat het verkeersadvies onjuist is toegepast. De rechtbank oordeelt dat het besluit weliswaar in strijd is met artikel 3:2 AwbPro vanwege het ontbreken van een zienswijzefase, maar dat dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 AwbPro kan worden gepasseerd omdat eiser niet in zijn belangen is geschaad.
De rechtbank stelt vast dat de uitrit een openbare weg is en dat de CROW-richtlijn terecht is toegepast om de zichtdriehoek te beoordelen. Het verkeersadvies toont aan dat de haag het oprijzicht belemmert en zo verkeersonveilige situaties veroorzaakt. De door eiser overgelegde foto's en deskundigenrapporten overtuigen de rechtbank niet. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de last onder dwangsom. Wel veroordeelt zij het college tot vergoeding van de proceskosten van eiser en het griffierecht. De uitspraak is gedaan door rechter D.C. Laagland op 19 april 2024.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de last onder dwangsom blijft gehandhaafd.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/3201
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 april 2024 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. R.A.M. Verkoijen),
en
het college van burgemeester en wethouders van de Gemeente Hillegom, verweerder
(gemachtigde: mr. J. de Bruijn).
Als derde-partij nemen aan de zaak deel: [derde partij 1] en [derde partij 2] uit [woonplaats] (derde-belanghebbenden).
Inleiding
1. Met het besluit van 6 september 2022 heeft verweerder het handhavingsverzoek van de derde-belanghebbenden, ten aanzien van de haag van eiser, afgewezen.
1.1.
Met het besluit van 4 april 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder het besluit van 6 september 2022 herroepen en aan eiser een last onder dwangsom opgelegd.
1.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.3.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
Derde-belanghebbenden hebben ook schriftelijk gereageerd.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 12 maart 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van eiser, namens verweerder D. Roelvink en de gemachtigde van verweerder en de derde-belanghebbenden.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat de zaak over?
2. Eiser woont aan de [adres] in [plaats]. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de haag van eiser, door zijn omvang, het oprijzicht vanuit de uitrit belemmert. Dit levert volgens verweerder een verkeersonveilige situatie op, zodat sprake is van een overtreding van artikel 2:15 vanPro de APV [1] . Om de overtreding te beëindigen is aan eiser een last onder dwangsom opgelegd waarin eiser wordt gelast de haag in de breedte met de helft te verminderen onder verbeurte van een dwangsom van € 5.000,-.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser betoogt dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. Hij is niet in de gelegenheid gesteld een zienswijze in te dienen op het voornemen van verweerder om een last onder dwangsom op te leggen. Eiser merkt voorts op dat de uitrit geen openbare weg is zodat de APV daar niet van toepassing is. Verder kan het verkeersadvies van verweerder niet dienen ter motivering van het bestreden besluit. In het advies is de zichtsdriehoek toegepast waarbij uitgegaan wordt van een positie van vijf meter vanaf de openbare weg op de uitweg, het oprijzicht, en niet vanaf de openbare weg, het stopzicht. Eiser merkt ook op dat de deskundige zelf vaststelt dat het vrije zicht niet wordt belemmerd en dat er volgens hem nog zicht is. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 3 juni 2015 [2] , volgt volgens eiser dat het woord ‘belemmeren’ inhoudt dat het vrije uitzicht volledig moet zijn belemmerd. Daar is hier geen sprake van. Er zou wel sprake kunnen zijn van hinder, maar dat wordt door de deskundige niet vastgesteld. Eiser heeft ook een tegenadvies van een eigen deskundige verstrekt.
Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of daarvoor op andere wijze hinder of gevaar oplevert.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. Eiser heeft betoogd dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen, omdat hij niet in de gelegenheid is gesteld een zienswijze in te dienen tegen het voornemen aan hem een last onder dwangsom op te leggen. Op zitting heeft verweerder erkent dat eiser in de gelegenheid gesteld had moeten worden om een zienswijze in te brengen. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:2 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank ziet echter aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 vanPro de Awb te passeren. Eiser is namelijk niet in zijn belangen geschaad. De rechtbank overweegt daartoe dat eiser zowel in de procedure van de voorlopige voorziening als in de onderhavige beroepsprocedure voldoende in de gelegenheid is gesteld om zijn standpunten naar voren te brengen en dit ook heeft gedaan.
6. Voorts stelt de rechtbank vast dat tussen partijen niet (langer) in geschil is dat de uitrit die uitkomt op de Zuider Leidsevaart een openbare weg is en dat de APV op die uitrit van toepassing is. De vraag die nu nog voorligt is of sprake is van een overtreding als bedoeld in artikel 2:15 vanPro de APV. Verweerder heeft aan het bestreden besluit een advies van een medewerker verkeer van 27 maart 2023 ten grondslag gelegd. Uit dit advies volgt dat, met toepassing van de CROW-richtlijn, het oprijzicht van de uitrit richting het noorden wordt belemmerd, omdat de haag van eiser voor een groot deel binnen de vrije zichtdriehoek staat. Het standpunt van eiser dat het vrije zicht volgens de medewerker niet wordt belemmerd volgt de rechtbank dan ook niet. Volgens het advies levert deze belemmering van het uitzicht verkeersonveilige situaties op. Dat volgens het door eiser ingebrachte deskundige rapport de CROW-richtlijn niet van toepassing is, omdat die methodiek niet ziet op in- en uitritten die geen openbare weg zijn, volgt de rechtbank evenmin. Immers niet langer in geschil is dat de uitrit wel als openbare weg moet worden gekwalificeerd. In het feit dat de CROW-richtlijn slechts een richtlijn is en geen verplichting, ziet de rechtbank ook geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder deze richtlijn niet aan haar besluitvorming ten grondslag mocht leggen.
7. Ter zitting heeft eiser verwezen naar een aantal foto’s waaruit volgens eiser zou blijken dat er geen sprake is van belemmering van het oprijzicht. De rechtbank volgt dit standpunt niet nu niet kan worden vastgesteld vanuit welke hoek of vanaf welke afstand de foto’s zijn gemaakt en of wordt voldaan aan de vrije zichtsdriehoek zoals die volgt uit de CROW-richtlijn.
8. Dat uit de uitspraak van de Afdeling van 3 juni 2015 zou volgen dat er alleen sprake is van een overtreding van artikel 2:15 vanPro de APV als het uitzicht volledig wordt belemmerd volgt de rechtbank niet. De Afdeling heeft in die uitspraak immers overwogen dat een belemmering van het uitzicht voor het wegverkeer door het hebben van beplanting op zichzelf een overtreding is van artikel 2:15 vanPro de APV. Daarbij is wel de vraag in hoeverre dit gevolgen heeft voor het wegverkeer. Ook een verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant [3] van 7 maart 2020 kan eiser niet baten. In die zaak was door de toezichthouder van de gemeente, anders dan in deze zaak, vastgesteld dat de haag het vrije uitzicht niet dusdanig belemmerde dat er hinder of gevaar voor het wegverkeer kon ontstaan.
9. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet nu eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van gelijk gevallen. De door eiser ingebrachte foto’s zijn daartoe onvoldoende.
10. Nu uit het verkeersadvies volgt dat de haag van eiser het oprijzicht vanuit de uitrit belemmert en dit verkeersonveilige situaties oplevert heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd dat sprake is van een overtreding van artikel 2:15 vanPro de APV. Verweerder mocht dan ook aan eiser een last onder dwangsom opleggen om aan die overtreding een einde te maken. De rechtbank ziet geen aanleiding om, zoals door eiser verzocht, het onderzoek te heropenen en een decente te gelasten.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep van eiser is ongegrond. Dit betekent dat verweerder de last onder dwangsom mocht opleggen.
12. In de toepassing van artikel 6:22 vanPro de Awb ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen tot het vergoeden van eisers proceskosten. Die kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.750,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1). Ook dient verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 184,- te vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 184,- te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser van € 1.750,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, rechter, in aanwezigheid van mr.S. Hoeijmans, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 april 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
1.Algemene plaatselijke verordening van de gemeente Hillegom.