ECLI:NL:RBDHA:2024:6303
Rechtbank Den Haag
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot beëindiging van gijzeling wegens betalingsonmacht ontnemingsvordering
Eiser is in het verleden veroordeeld voor meerdere gevallen van oplichting en is door het hof verplicht tot betaling van een bedrag ter ontneming van wederrechtelijk voordeel. Omdat hij niet vrijwillig betaalde, is in 2017 besloten tot gijzeling als dwangmiddel. Eiser heeft meerdere verzoeken tot kwijtschelding of vermindering van de ontnemingsvordering ingediend, die steeds zijn afgewezen wegens onvoldoende bewijs van betalingsonmacht.
In maart 2024 is eiser opnieuw in gijzeling genomen nadat hij niet kon voldoen aan de betalingsverplichting en geen betalingsregeling kon treffen met het CJIB. In dit kort geding vordert eiser dat de gijzeling wordt beëindigd en dat de Staat akkoord gaat met zijn betalingsvoorstel, stellende dat hij niet in staat is meer te betalen.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het op de weg van eiser ligt om zijn betalingsonmacht aannemelijk te maken, hetgeen hij niet heeft gedaan. Ondanks zijn stellingen over beperkte middelen en inbeslagname van goederen, zijn er aanwijzingen dat hij over waardevolle vermogensbestanddelen beschikte. Bovendien is het bedrag van de ontnemingsvordering nooit vrijwillig door eiser afgelost, maar alleen via verkoop van in beslag genomen goederen en faillissement.
De rechter acht het voorstel van eiser niet redelijk en ziet geen reden om vooruitlopend op een strafrechterlijke beslissing de gijzeling te beëindigen. Eiser wordt in het ongelijk gesteld en veroordeeld tot betaling van proceskosten.
Uitkomst: De vordering tot beëindiging van de gijzeling wegens betalingsonmacht wordt afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.