ECLI:NL:RBDHA:2024:6331
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardige afvalligheid en onvoldoende risico op vervolging in Algerije
Eiser, een Algerijnse nationaliteit dragende man, verzocht in oktober 2021 om een verblijfsvergunning asiel in Nederland. Hij stelde dat hij vanwege zijn afvalligheid van de islam en bedreigingen door het Islamitisch Reddingsfront (IRF) vreest voor vervolging en ernstige schade bij terugkeer naar Algerije.
De staatssecretaris wees de aanvraag af wegens kennelijke ongegrondheid, omdat eiser zijn afvalligheid ongeloofwaardig had verklaard en onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij persoonlijk een gegronde vrees voor vervolging liep. De rechtbank bevestigt dit oordeel na beoordeling van het proces-verbaal en de zitting.
De rechtbank oordeelde dat eiser tegenstrijdige en summiere verklaringen gaf over zijn afvalligheid en onvoldoende inzicht bood in zijn overtuigingen en motieven. Ook waren de gestelde problemen met het IRF niet geloofwaardig, mede omdat eiser niet kon specificeren waarom hij persoonlijk gezocht zou worden en omdat hij na de vermeende bedreigingen nog geruime tijd in Algerije verbleef zonder problemen.
De verwijzing naar een artikel over de activiteiten van het IRF bracht geen nieuwe feiten aan. De rechtbank concludeert dat de afwijzing van de asielaanvraag terecht is en verklaart het beroep ongegrond. Het terugkeerbesluit blijft van kracht en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van de asielaanvraag wegens ongeloofwaardige afvalligheid en onvoldoende risico op vervolging.