Eiser, van Syrische nationaliteit, diende op 4 oktober 2023 een asielaanvraag in Nederland in. De staatssecretaris verklaarde deze aanvraag niet-ontvankelijk op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat eiser reeds internationale bescherming geniet in Duitsland.
De rechtbank onderzocht het beroep van eiser tegen deze niet-ontvankelijkverklaring. Uit Eurodac en navraag bij Duitse autoriteiten bleek dat eiser in Duitsland een internationale-beschermingsstatus heeft, die niet is ingetrokken of beëindigd. De communicatie van eiser met Duitse autoriteiten bood geen concrete aanwijzingen voor het tegendeel.
De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris terecht mocht afgaan op de informatie uit Eurodac en de Duitse autoriteiten en dat het ontbreken van gezinshereniging in Duitsland geen reden is om de niet-ontvankelijkverklaring te verwerpen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.