ECLI:NL:RBDHA:2024:6540
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardige verklaringen over drugsroof en risico Algerije
De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van een Algerijnse asielzoeker tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag door de minister van Justitie en Veiligheid. De asielzoeker stelde dat hij vanwege een conflict na het stelen van drugs en een daaropvolgende gevangenisstraf in Algerije gevaar loopt bij terugkeer. Hij ontvluchtte Algerije nadat hij ontdekte dat de betrokken mannen nog steeds naar hem op zoek zijn.
Tijdens de zitting was de asielzoeker niet aanwezig. De rechtbank beoordeelde het dossier en concludeerde dat de minister terecht het asielrelaas ongeloofwaardig achtte vanwege wisselende verklaringen over met wie hij vocht, de duur tussen vrijlating en vertrek uit Algerije, en de wijze waarop hij wist dat hij werd gezocht. Ook het ontbreken van documentatie over zijn veroordeling en aangifte speelde mee.
De rechtbank verwierp het betoog dat concentratieproblemen tijdens het gehoor de verklaringen konden beïnvloeden, omdat de asielzoeker steeds bevestigend had geantwoord op vragen over zijn concentratie. Verder was onvoldoende aannemelijk dat hij bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade loopt, omdat dit niet onderbouwd werd.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een vergoeding van proceskosten af. De uitspraak werd gedaan door rechter E.F. Bethlehem en griffier S. Constant op 18 april 2024.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard wegens ongeloofwaardige verklaringen en onvoldoende aannemelijk risico bij terugkeer.