ECLI:NL:RBDHA:2024:6577

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 april 2024
Publicatiedatum
1 mei 2024
Zaaknummer
NL24.16446
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:11 AwbArt. 1:3 AwbArt. 69 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen terugkeerbesluit wegens beëindiging tijdelijke bescherming niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding

De zaak betreft een beroep van eiser tegen een terugkeerbesluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, waarin de tijdelijke bescherming van eiser eindigt. Het bestreden besluit dateert van 21 februari 2024. Eiser heeft het beroepschrift pas op 15 april 2024 ingediend, ruim na de wettelijke termijn van vier weken zoals voorgeschreven in artikel 69, eerste lid, van de Vreemdelingenwet.

De rechtbank toetst of de termijnoverschrijding verschoonbaar is volgens artikel 6:11 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eiser voerde aan dat het terugkeerbesluit niet rechtsgeldig zou zijn en dat in vergelijkbare zaken voorlopige voorzieningen werden toegewezen, maar deze argumenten zijn door de rechtbank onvoldoende geacht om de overschrijding te verontschuldigen.

De rechtbank concludeert dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is wegens het niet tijdig indienen van het beroepschrift. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan buiten zitting op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb en openbaar gemaakt op 1 mei 2024.

Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit is niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig indienen van het beroepschrift zonder verschoonbare reden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.16446

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nr.]
(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Inleiding

Bij besluit van 21 februari 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder tegen eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Hierin is meegedeeld dat eisers tijdelijke bescherming zoals bedoeld in de Richtlijn 2001/55/EG eindigt.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb. [1]

Beoordeling door de rechtbank

1. Er kan op een beroep worden beslist zonder een zitting te houden als sprake is van een kennelijke uitkomst. Dit staat in artikel 8:54, eerste lid, van de Awb. Deze situatie doet zich hier voor, gelet op het volgende.
2. Op grond van artikel 69, eerste lid, van de Vw [2] bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift vier weken. Eiser heeft het beroep echter pas op 15 april 2024 en daarmee (ruimschoots) buiten de termijn van vier weken ingediend.
3. Niet-ontvankelijkverklaring van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift blijft achterwege als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Met andere woorden: beoordeeld moet worden of de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Dit staat in artikel 6:11 van Pro de Awb. Er zijn in dit geval geen redenen aanwezig om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.
4. Eiser stelt dat hij niet tijdig beroep heeft ingesteld omdat het terugkeerbesluit niet rechtsgeldig is. Een terugkeerbesluit beoogt de vaststelling van illegaal verblijf, terwijl zijn tijdelijke bescherming nog doorloopt in afwachting van de beantwoording van de gestelde prejudiciële vragen. Ook stelt hij dat deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, verzoeken om voorlopige voorzieningen toewijst in vergelijkbare situaties waarbij het beroep te laat ingediend zou zijn. De rechtbank is van oordeel dat dit onvoldoende is om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. De beschikking van 21 februari 2024 is immers een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb. Het is erop gericht om rechtsgevolgen in het leven te roepen en daartegen kan een rechtsmiddel aangewend worden. Indien eiser van mening is dat het besluit niet rechtsgeldig is, is het aan hem om uiterlijk binnen vier weken een beroepschrift in te dienen.
5. Gelet op het voorgaande is het beroep kennelijk niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.
2.Vreemdelingenwet 2000.