ECLI:NL:RBDHA:2024:6609

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 april 2024
Publicatiedatum
2 mei 2024
Zaaknummer
NL23.2851
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMartikel 3.71a, tweede lid, aanhef onder c, Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen weigering ontheffing inburgeringsvereiste voor verblijf als gezinslid

Eiseres, van Iraakse nationaliteit, heeft een aanvraag ingediend voor verblijf als familie- of gezinslid, welke door de staatssecretaris is afgewezen wegens het niet voldoen aan het inburgeringsvereiste. Eiseres stelde dat zij vanwege haar leeftijd, analfabetisme en gezondheidsproblemen ontheffing van dit vereiste zou moeten krijgen. Tevens voerde zij aan dat de belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro ondeugdelijk was.

De rechtbank constateert dat eiseres het inburgeringsexamen niet heeft behaald en onvoldoende inspanningen heeft geleverd om het examen succesvol af te leggen. De rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris terecht heeft geoordeeld dat er geen bijzondere individuele omstandigheden zijn die ontheffing rechtvaardigen.

Daarnaast is de belangenafweging van de staatssecretaris, waarbij onder meer het belang van integratie en de economische belangen van Nederland zijn meegewogen, niet onredelijk. Het feit dat het gezinsleven in Irak is ontstaan en dat er geen objectieve belemmeringen zijn om het gezinsleven daar voort te zetten, speelt ook een rol.

Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiseres krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter M. Garabitian op 30 april 2024.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor ontheffing van het inburgeringsvereiste wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.2851

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. A. Orhan),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M. van Kersbergen).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van de aanvraag van eiseres.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 1 april 2022 afgewezen. Met het bestreden besluit van 26 januari 2023 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 27 februari 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [referent] (referent), de gemachtigde van eiseres, en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres heeft de Iraakse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1960. Eiseres heeft een aanvraag ingediend met het verblijfsdoel ‘Verblijf als familie- of gezinslid bij [referent] ’. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen, omdat eiseres niet voldoet aan het inburgeringsvereiste en zij niet in aanmerking komt voor vrijstelling of ontheffing van dit vereiste. De afwijzing is volgens verweerder niet in strijd met artikel 8 van Pro het EVRM.
Wat vindt eiseres in beroep?
3. Eiseres vindt dat zij moet worden ontheven van het inburgeringsvereiste, omdat zij analfabeet is, 64 jaar is en zowel zij als haar echtgenoot een slechte gezondheid hebben. Eiseres kan het inburgeringsexamen ook niet naar behoren afleggen, omdat zij de computer niet kan bedienen. Dergelijke inspanning kan niet van haar worden verwacht. Verder vindt eiseres dat de door verweerder gemaakte belangenafweging in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM ondeugdelijk is, omdat meerdere onderdelen niet juist zijn betrokken en meegewogen. Het is volgens eiseres onduidelijk welk gewicht verweerder toekent aan het belang van een eerste toelating tot Nederland. Verweerder is in dit geval niet voor een voldongen feit gesteld, want het gezinsleven is in Irak ontstaan. Ten onrechte weegt verweerder ten nadele mee dat eiseres nooit rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad. Ook is onvoldoende inzichtelijk welk gewicht de Nederlandse economische belangen hebben en heeft verweerder de intensiteit van het gezinsleven en de band van referent met Nederland onvoldoende kenbaar meegewogen. Tot slot is verweerder onvoldoende gemotiveerd ingegaan op de medische omstandigheden van referent.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Inburgeringsvereiste
4. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiseres het basisexamen inburgering buitenland niet heeft behaald en daarmee niet aan het inburgeringsvereiste voldoet. In geschil is of verweerder eiseres had moeten ontheffen van het inburgeringsvereiste vanwege bijzonder individuele omstandigheden [1] .
5. De rechtbank is het met verweerder eens dat onvoldoende is gebleken van passende inspanningen en voorbereiding op de verschillende onderdelen van het examen. Eiseres heeft het inburgeringsexamen éénmaal afgelegd en heeft toen niks ingevuld. Verweerder heeft mogen vinden dat eiseres daarmee niet de wil heeft getoond om voor het examen te slagen. Eiseres heeft weinig tot geen inspanningen geleverd in de voorbereiding van het examen. Zij was in ieder geval op 27 september 2022 nog niet begonnen om zich op het examen van 8 december 2022 voor te bereiden. Verweerder mag van eiseres verwachten dat zij inspanningen levert in de voorbereiding van het examen. Dat eiseres ouder is en analfabeet, betekent niet dat verweerder niet van haar mag verwachten het examen goed af te leggen. Zoals verweerder heeft aangegeven zijn er gratis zelfstudiepakketten voor analfabeten, en lezen en schrijven is niet nodig om het examen te kunnen behalen. Verweerder heeft in het primaire en het bestreden besluit uitgebreid gemotiveerd hoe eiseres een (serieuze) poging kan ondernemen om het examen te behalen. Het is de rechtbank ook niet gebleken dat de individuele omstandigheden – zoals de kosten om het examen (opnieuw) af te leggen en de inspanning die referent daarbij gezien zijn leeftijd en gezondheidssituatie moet leveren – zodanig bijzonder zijn, dat het voor eiseres onmogelijk of uiterst moeilijk zal zijn om haar recht op gezinshereniging te kunnen uitoefenen.
Artikel 8 van Pro het EVRM
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de belangenafweging in het nadeel van eiseres heeft mogen laten uitvallen. Verweerder heeft in zijn beoordeling mogen betrekken dat niet is gebleken dat eiseres voldoende kennis heeft van de Nederlandse taal en samenleving. Het is voor de Nederlandse overheid van belang dat gezinsleden die in Nederland willen wonen daar voldoende kennis van hebben, zodat zij hier kunnen integreren. Dit geldt ook voor eiseres, ondanks dat zij tijdens de zitting heeft aangevoerd dat haar deelname aan de Nederlandse samenleving gezien haar leeftijd en opleidingsniveau beperkt zal zijn. Ook in dat geval mag verweerder van eiseres verwachten dat zij een bepaalde kennis heeft van de Nederlandse taal en samenleving. Ook mag verweerder waarde hechten aan het feit dat eiseres binnen een redelijke termijn bij voldoende inspanningen alsnog aan het inburgeringsvereiste kan voldoen. Van het tegendeel is immers (nog) niet gebleken. Verweerder heeft ook voldoende inzichtelijk gemaakt welk gewicht hij geeft aan de Nederlandse economische belangen, want in het primaire besluit – dat onderdeel uitmaakt van het bestreden besluit – staat dat dit belang minder zwaar weegt omdat referent is vrijgesteld van het inkomensvereiste. Verder is er geen sprake van een objectieve belemmering om het gezinsleven in Irak uit te oefenen en is referent ook afkomstig uit Irak, waardoor hij bekend is met de taal en cultuur. Dat de kinderen en kleinkinderen van referent in Nederland wonen, maakt dit niet anders. Verweerder mag ook waarde hechten aan het feit dat eiseres en referent hun gezinsleven zijn begonnen terwijl zij in verschillende landen woonden. Dit is immers een keuze van eiseres en referent geweest. Tot slot heeft eiseres niet onderbouwd dat referent niet in Irak kan gaan wonen vanwege zijn gezondheid of dat referent niet zonder de zorg van eiseres kan. Verweerder mag hierbij er op wijzen dat referent familieleden in Nederland heeft en dat hij een beroep kan doen op zorginstellingen in Nederland.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Zij krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Garabitian, rechter, in aanwezigheid van mr. L.L. Hol, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 april 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zoals bedoeld in artikel 3.71a, tweede lid, aanhef onder c, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Deze ontheffingsgrond is nader uitgewerkt in paragraaf B1/4.7 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).