De zaak betreft een beroep tegen een natuurvergunning verleend door het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland aan WP Retail voor een herontwikkelingsproject in Den Haag. Eisers stelden beroep in tegen deze vergunning. Tijdens de procedure heeft WP Retail het college verzocht de vergunning in te trekken en tevens haar aanvraag ingetrokken. Het college heeft daarop het bestreden besluit ingetrokken.
De rechtbank beoordeelde of eisers belanghebbenden waren bij het bestreden besluit en of het beroep mede tegen het intrekkingsbesluit van rechtswege gericht was. De rechtbank oordeelde dat niet alle eisers belanghebbende waren en dat het beroep niet van rechtswege mede tegen het intrekkingsbesluit gericht was, omdat eisers onvoldoende belang hadden bij een oordeel over dat besluit. Omdat het intrekkingsbesluit het beroep feitelijk geheel tegemoet kwam, verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk.
Daarnaast behandelde de rechtbank het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Gezien de overschrijding van 14 maanden kende de rechtbank een gematigde vergoeding toe van €375 per eiser, in totaal €1.500, en veroordeelde de Staat tot vergoeding van proceskosten voor het verzoek om schadevergoeding.
De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Rechtbank Den Haag op 18 januari 2024 en is openbaar. Partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.