ECLI:NL:RBDHA:2024:661

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 januari 2024
Publicatiedatum
23 januari 2024
Zaaknummer
SGR 20/7395
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.7 WnbArt. 1:2 AwbArt. 6:19 AwbArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen natuurvergunning na intrekking door college

De zaak betreft een beroep tegen een natuurvergunning verleend door het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland aan WP Retail voor een herontwikkelingsproject in Den Haag. Eisers stelden beroep in tegen deze vergunning. Tijdens de procedure heeft WP Retail het college verzocht de vergunning in te trekken en tevens haar aanvraag ingetrokken. Het college heeft daarop het bestreden besluit ingetrokken.

De rechtbank beoordeelde of eisers belanghebbenden waren bij het bestreden besluit en of het beroep mede tegen het intrekkingsbesluit van rechtswege gericht was. De rechtbank oordeelde dat niet alle eisers belanghebbende waren en dat het beroep niet van rechtswege mede tegen het intrekkingsbesluit gericht was, omdat eisers onvoldoende belang hadden bij een oordeel over dat besluit. Omdat het intrekkingsbesluit het beroep feitelijk geheel tegemoet kwam, verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk.

Daarnaast behandelde de rechtbank het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Gezien de overschrijding van 14 maanden kende de rechtbank een gematigde vergoeding toe van €375 per eiser, in totaal €1.500, en veroordeelde de Staat tot vergoeding van proceskosten voor het verzoek om schadevergoeding.

De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Rechtbank Den Haag op 18 januari 2024 en is openbaar. Partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de natuurvergunning is niet-ontvankelijk verklaard en eisers ontvingen een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 20/7395

uitspraak van de meervoudige kamer van 18 januari 2024 in de zaak tussen

[naam 1],
[naam 2] ,en
[naam 3]uit [woonplaats 1] en
[naam 4]uit [woonplaats 2] , eisers
(gemachtigde: mr. V. Wösten),
en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland, het college

(gemachtigden: mr. T. van Ooijen, S. Kruis en mr. I. Blom),
en

de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

Als derde-partijen nemen aan de zaak deel: WP Retail Development & Management B.V. en WP Retail Invest Duinzigt C.V., gevestigd in Amsterdam (hierna gezamenlijk: WP Retail)
(gemachtigde: mr. J.A. Mohuddy).

Inleiding

1. Met het bestreden besluit van 12 oktober 2020 heeft het college aan WP Retail een natuurvergunning verleend als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming (Wnb).
1.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.2.
Op 13 juli 2022 heeft WP Retail het college verzocht om intrekking van het bestreden besluit. Daarnaast heeft zij haar aanvraag om een natuurvergunning ingetrokken.
1.3.
Met het besluit van 17 april 2023 (het intrekkingsbesluit) heeft het college het bestreden besluit ingetrokken.
1.4.
Eisers hebben de rechtbank bericht dat zij hun beroep handhaven. Zij hebben nadere gronden tegen het intrekkingsbesluit ingediend. Het college heeft hierop gereageerd met een verweerschrift. WP Retail heeft ook schriftelijk gereageerd.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 7 december 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen:
  • namens eisers: de gemachtigde van eisers;
  • namens het college: de gemachtigden van het college;
  • namens WP Retail: mr. A.J.G. Vegt, als waarnemer van de gemachtigde, en [naam 5] .
1.6.
Naar aanleiding van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft de rechtbank de Staat als partij aangemerkt.

Totstandkoming van het bestreden besluit en de intrekking daarvan

2. Op 1 april 2020 heeft WP Retail een natuurvergunning aangevraagd voor het herontwikkelen van een winkelcentrum en het bouwen van 39 appartementen aan het Willem Royaardsplein en de Theo Mann Bouwmeesterlaan in Den Haag (het project).
2.1.
Het college heeft de gevraagde vergunning met het bestreden besluit verleend. In dit besluit heeft het college zich op het standpunt gesteld dat uit de ecologische toets is gebleken dat de stikstofdepositie als gevolg van het project geen belemmering vormt voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen voor de Natura 2000-gebieden “Meijendel & Berkheide” en “Westduinpark & Wapendal” (de Natura 2000-gebieden).
2.2.
Op 23 december 2021 heeft WP Retail het college verzocht om herbeoordeling van de documenten die betrekking hebben op het project. Dit omdat er meer concrete informatie over de uitvoering van het project beschikbaar is gekomen. Het college heeft hierop bij brief van 10 februari 2022 aan WP Retail bericht dat uit het onderzoek is gebleken dat het project niet zal leiden tot een toename van stikstofdepositie op de betrokken Natura 2000-gebieden. Het college concludeert dat een natuurvergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb daarom niet nodig is.
2.3.
Hierop heeft WP Retail op 13 juli 2022 verzocht om intrekking van het bestreden besluit. Ook heeft zij haar aanvraag om een natuurvergunning ingetrokken. Nadat WP Retail, op verzoek van het college, aanvullende informatie heeft overgelegd, heeft het college het intrekkingsbesluit genomen. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat uit de uitgevoerde AERIUS-berekeningen en de onderliggende, onderbouwende stukken blijkt dat het project in zowel de aanlegfase als de gebruiksfase leidt tot een afname van de stikstofdepositie op daarvoor gevoelige Natura 2000-gebieden ten opzichte van de referentiesituatie. Het project kan daarom volgens het college zonder natuurvergunning worden uitgevoerd, zodat geen bezwaar bestaat tegen het intrekken van het bestreden besluit.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of het beroep ontvankelijk is. In dat kader zal de rechtbank eerst beoordelen of eisers belanghebbenden bij het bestreden besluit zijn. Vervolgens zal de rechtbank beoordelen of het beroep van eisers van rechtswege mede is gericht tegen het intrekkingsbesluit. Tot slot zal de rechtbank het belang van eisers bij hun beroep tegen het bestreden besluit beoordelen.
Zijn eisers belanghebbenden bij het bestreden besluit?
4. Op grond van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
4.1.
Als uitgangspunt geldt dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit waarop een besluit betrekking heeft, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ dient als correctie op dit uitgangspunt. Gevolgen van enige betekenis ontbreken indien de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het betrokken besluit ontbreekt. Daarbij wordt acht geslagen op de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit, waarbij die factoren zo nodig in onderlinge samenhang worden bezien. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.
4.2.
Het gestelde belang van eisers, zoals ter zitting toegelicht, is gelegen in de potentiële gevolgen van het project voor de Natura 2000-gebieden nabij hun woningen. Voor het antwoord op de vraag of eisers belanghebbenden bij het bestreden besluit zijn, is echter niet de afstand tot een Natura 2000-gebied bepalend. Van belang is of ter plaatse van de percelen of de woningen van eisers gevolgen kunnen worden ondervonden van de uitvoering van het project. Dit volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). [1]
4.3.
Vast staat dat eiser [naam 4] op een afstand van slechts enkele meters van het Natura 2000-gebied “Meijendel & Berkheide” woont, maar dat de afstand van zijn woning en zijn perceel tot het project meerdere kilometers bedraagt. Gelet hierop is er geen grond voor het oordeel dat eiser [naam 4] in zijn woning of op zijn perceel feitelijke gevolgen van de uitvoering van het project zal ondervinden. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiser [naam 4] niet kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. De rechtbank zal het beroep van eiser [naam 4] om die reden niet-ontvankelijk verklaren.
4.4.
Eisers [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] wonen allen in de directe nabijheid van het project. Zij kunnen dan ook als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb worden aangemerkt.
Hebben eisers [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] procesbelang?
5. Het besluit tot intrekking van het bestreden besluit is een besluit zoals bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb. Dat betekent dat het beroep van eisers van rechtswege mede gericht is tegen het intrekkingsbesluit, tenzij zij hierbij onvoldoende belang hebben. Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of dit het geval is.
6. Het college en WP Retail stellen zich op het standpunt dat geen beroep van rechtswege tegen het intrekkingsbesluit is ontstaan. Volgens hen hebben eisers daar onvoldoende belang bij. Het beroep van eisers was gericht tegen het bestreden besluit. Dit besluit en de daaraan ten grondslag liggende aanvraag zijn ingetrokken. Dit betekent volgens het college en WP Retail dat met het intrekkingsbesluit volledig is tegemoetgekomen aan het beroep van eisers.
7. Volgens eisers is met het intrekkingsbesluit niet volledig tegemoetgekomen aan hun beroep. Het intrekkingsbesluit heeft weliswaar de gewenste intrekking van het bestreden besluit tot gevolg gehad, maar eisers kunnen zich niet vinden in de daaraan ten grondslag liggende inhoudelijke overwegingen van het college. Uit die overwegingen volgt immers dat het project volgens het college zonder natuurvergunning kan worden gerealiseerd, omdat geen sprake is van significant negatieve gevolgen voor de betrokken Natura 2000-gebieden. Gelet op deze overwegingen dient het intrekkingsbesluit volgens eisers gelijkgesteld te worden met een positieve weigering van een natuurvergunning of moet worden aangenomen dat hierin een bestuurlijk rechtsoordeel ligt besloten. Eisers menen dat zij hiertegen in rechte moeten kunnen opkomen.
7.1.
De rechtbank overweegt dat het rechtsgevolg van het intrekkingsbesluit is beperkt tot de intrekking van het bestreden besluit. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee volledig tegemoetgekomen aan het beroep van eisers. Eisers beoogden met hun beroep immers te bereiken dat WP Retail niet langer over een natuurvergunning zou beschikken voor het project en dat doel is met het intrekkingsbesluit gerealiseerd. Eisers kunnen met hun beroep, gelet ook op het feit dat WP Retail haar aanvraag om een natuurvergunning heeft ingetrokken, dan ook niet in een andere situatie worden gebracht dan waarin zij zich thans bevinden. Het is duidelijk dat eisers zich niet kunnen vinden in de overwegingen op grond waarvan het college tot intrekking van het bestreden besluit heeft besloten, maar naar het oordeel van de rechtbank kunnen zij hieraan geen procesbelang ontlenen. De rechtbank volgt eisers niet in hun stelling dat het intrekkingsbesluit, gelet op de hieraan ten grondslag liggende overwegingen, gelijkgesteld moet worden met een positieve weigering van een natuurvergunning, reeds omdat WP Retail de aanvraag om een natuurvergunning heeft ingetrokken. Voor zover in het intrekkingsbesluit het standpunt van het college ligt besloten dat voor het project geen natuurvergunning is vereist, geldt dat de juistheid van dit standpunt desgewenst aan de orde gesteld kan worden door het college om handhaving te verzoeken. Niet gebleken is dat dit voor eisers onevenredig bezwarend is.
7.2.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eisers onvoldoende belang hebben bij een oordeel van de rechtbank over het intrekkingsbesluit. Het beroep tegen het bestreden besluit heeft daarom niet van rechtswege mede betrekking op het intrekkingsbesluit. De rechtbank komt dan ook niet toe aan een bespreking van de gronden van eisers tegen het intrekkingsbesluit.
8. Het college heeft het bestreden besluit met het intrekkingsbesluit ingetrokken en WP Retail heeft de aanvraag om een natuurvergunning ingetrokken. Gelet hierop hebben eisers geen belang meer bij hun beroep tegen het bestreden besluit. De rechtbank zal het beroep hiertegen daarom niet-ontvankelijk verklaren.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk. Eisers krijgen het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten die verband houden met het beroep. De rechtbank ziet voor vergoeding hiervan geen aanleiding, nu het college het intrekkingsbesluit heeft genomen naar aanleiding van het verzoek van WP Retail en niet om tegemoet te komen aan het beroep van eisers.
Verzoek om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn
10. Eisers hebben op zitting verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
10.1.
Op grond van artikel 6 van Pro het EVRM moet in bestuursrechtelijke geschillen binnen een redelijke termijn uitspraak worden gedaan. Dat houdt in een zaak als deze in dat de rechtbank in beginsel binnen twee jaar na indiening van het beroep uitspraak dient te doen.
10.2.
Eisers hebben op 24 november 2020 beroep ingesteld, zodat de redelijke termijn van 24 maanden met 14 maanden is overschreden. Uitgaande van een forfaitair tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, zou het aan elk van eisers toe te kennen bedrag € 1.500,- bedragen. De omstandigheid dat een aantal belanghebbenden samen een procedure voert kan evenwel een zodanig matigende invloed hebben op de spanning, het ongemak en de onzekerheid die worden ondervonden door een te lang durende procedure, dat dit een reden kan vormen om de wegens schending van de redelijke termijn toe te kennen schadevergoeding te matigen. Bij dit laatste blijft voorop staan dat iedere belanghebbende een zelfstandig recht op schadevergoeding heeft. [2]
10.3.
In dit geval hebben eisers als groep geprocedeerd. Naar het oordeel van de rechtbank mag ervan uitgegaan worden dat dit een matigende invloed heeft gehad op de mate van stress, ongemak en onzekerheid die zij hebben ondervonden vanwege de te lang durende procedure. De rechtbank zal daarom de schadevergoeding matigen in die zin dat elk van hen 25% van het aan de mate van overschrijding van de redelijke termijn gerelateerde schadevergoedingsbedrag krijgt toegekend. Steun hiervoor vindt de rechtbank in de rechtspraak van de Afdeling. [3] Dat betekent dat aan elk van eisers een bedrag van € 375,- wordt toegekend, zodat de schadevergoeding in totaal € 1.500,- bedraagt.
10.4.
Aanleiding bestaat om de Staat te veroordelen in de proceskosten die verband houden met het ter zitting gedane verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Deze kosten worden begroot op € 437,50 (1 punt voor het verzoek op zitting met een wegingsfactor 0,5) voor verleende rechtsbijstand.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding aan eisers van immateriële schade tot een bedrag van € 375,- per eiser;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 437,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter, voorzitter, en mr. J.B. Wijnholt en mr. R.S. Wijling, leden, in aanwezigheid van mr. D.W.A. van Weert, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2024.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Afdeling van 24 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2475.
2.Zie het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.
3.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 6 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3407.