ECLI:NL:RBDHA:2024:6660
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visum kort verblijf en kennelijk niet-ontvankelijk verklaring bezwaar
Eiseres, met de Sierra Leoonse nationaliteit, vroeg op 13 april 2023 een visum kort verblijf aan voor familiebezoek bij haar zoon in Nederland. De minister van Buitenlandse Zaken wees deze aanvraag op 21 april 2023 af vanwege onvoldoende bewijs van het doel en twijfel over het vertrek voor het verstrijken van het visum.
Tegen dit besluit maakte de zoon van eiseres bezwaar, maar de minister verklaarde dit bezwaar op 12 januari 2024 kennelijk niet-ontvankelijk omdat de zoon geen rechtsgeldige machtiging had om namens eiseres bezwaar te maken. Eiseres stelde dat de minister te formeel had gehandeld en dat haar zoon gerechtigd was het bezwaar in te dienen. Zij voerde aan dat de machtiging alsnog was overgelegd en dat een te strikte toepassing van de Visumcode onevenredig was.
De rechtbank oordeelde dat volgens artikel 32 lid 3 van Pro de Visumcode alleen de aanvrager zelf bezwaar kan maken en dat het nationale recht daarop van toepassing is. Omdat de machtiging niet rechtsgeldig was ondertekend door eiseres en niet binnen de termijn was overgelegd, was het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank vond ook dat de minister terecht afzag van een hoorzitting, omdat geen inspanningen waren verricht om het verzuim te herstellen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde het bestreden besluit. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het visum en de kennelijke niet-ontvankelijkheid van het bezwaar wordt ongegrond verklaard.