ECLI:NL:RBDHA:2024:6681

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 mei 2024
Publicatiedatum
2 mei 2024
Zaaknummer
NL24.17024
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 94 VwArt. 106 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring beroep tegen maatregel bewaring en afwijzing schadevergoeding

De staatssecretaris legde op 9 april 2024 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank werd van deze bewaring in kennis gesteld, wat gelijkgesteld werd met een beroep van eiser. Dit beroep werd behandeld op 26 april 2024, nadat de bewaring op 25 april 2024 was opgeheven.

Eiser verzocht de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk te verklaren omdat er al een eerder beroep was ingediend en behandeld op 16 april 2024 bij de zittingsplaats ’s-Hertogenbosch. De rechtbank oordeelde echter dat de kennisgeving van de staatssecretaris als een nieuw beroep moet worden opgevat en dat de rechtbank bevoegd is om hiervan kennis te nemen.

De rechtbank beoordeelde of de bewaring onrechtmatig was geweest in de periode tussen 16 april 2024 en 25 april 2024. Uit de eerdere uitspraak van 23 april 2024 bleek dat de bewaring tot 16 april rechtmatig was. De rechtbank concludeerde dat de staatssecretaris voldoende voortvarend had gehandeld om de uitzetting te effectueren, onder meer door een vertrekgesprek en het vertrek van eiser naar Algerije via het IOM.

Er waren geen omstandigheden die de bewaring onrechtmatig maakten in de onderzochte periode. Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.17024

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

geboortedatum [geboortedatum],
van Algerijnse nationaliteit,
V-nummer: [v-nummer],
(gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris,

(gemachtigde: mr. M. Weerman).

Procesverloop

De staatssecretaris heeft op 9 april 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
De staatssecretaris heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van de bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De staatssecretaris heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De staatssecretaris heeft op 25 april 2024 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 26 april 2024 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn met kennisgeving niet ter zitting verschenen. De staatssecretaris heeft zich op de rechtbank laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
2. De rechtbank stelt voorop dat de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 23 april 2024 (in de zaak NL24.14191) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op 16 april 2024 rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 16 april 2024 tot het opheffen van onderhavige maatregel op 25 april 2024 de maatregel van bewaring rechtmatig is geweest.
3. Eiser verzoekt de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk, dan wel zich niet bevoegd, te verklaren. Dit omdat op 2 april 2024 al een beroepschrift is ingediend tegen de bewaringsmaatregel, dit beroep is op 16 april 2024 door de zittingsplaats ’s Hertogenbosch op zitting behandeld. Volgens eiser is de kennisgeving ten onrechte verstuurd door de staatssecretaris.
3.1.
De rechtbank volgt eiser niet in deze stelling en is van oordeel dat artikel 94, eerste lid Vw bepaalt dat een kennisgeving moet worden opgevat als een door de vreemdeling ingesteld beroep. Zoals door de staatssecretaris reeds in zijn schriftelijke reactie van 25 april 2024 is opgemerkt, maakt het feit dat de kennisgeving onverplicht is verzonden niet dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard dan wel dat de rechtbank niet bevoegd is hier kennis van te nemen.
Voortvarendheid
4. De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris voldoende voortvarend aan de uitzetting heeft gewerkt. Uit de schriftelijke reactie van de staatssecretaris van 25 april 2024 blijkt dat sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige procedure op 16 april 2024 schriftelijk is gerappelleerd met betrekking tot de bij de Algerijnse autoriteiten ingediende de lp-aanvraag en op 18 april 2024 een vertrekgesprek met eiser heeft plaatsgevonden. Eiser is vervolgens op 24 april 2024 met behulp van het IOM naar Algerije vertrokken waarna de maatregel bewaring op 25 april 2024 is beëindigd.
5. Er zijn geen andere omstandigheden gebleken die maken dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.Y.B. Jansen, rechter, in aanwezigheid van mr. D.G. van den Berg, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.