ECLI:NL:RBDHA:2024:6681
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen maatregel bewaring en afwijzing schadevergoeding
De staatssecretaris legde op 9 april 2024 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank werd van deze bewaring in kennis gesteld, wat gelijkgesteld werd met een beroep van eiser. Dit beroep werd behandeld op 26 april 2024, nadat de bewaring op 25 april 2024 was opgeheven.
Eiser verzocht de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk te verklaren omdat er al een eerder beroep was ingediend en behandeld op 16 april 2024 bij de zittingsplaats ’s-Hertogenbosch. De rechtbank oordeelde echter dat de kennisgeving van de staatssecretaris als een nieuw beroep moet worden opgevat en dat de rechtbank bevoegd is om hiervan kennis te nemen.
De rechtbank beoordeelde of de bewaring onrechtmatig was geweest in de periode tussen 16 april 2024 en 25 april 2024. Uit de eerdere uitspraak van 23 april 2024 bleek dat de bewaring tot 16 april rechtmatig was. De rechtbank concludeerde dat de staatssecretaris voldoende voortvarend had gehandeld om de uitzetting te effectueren, onder meer door een vertrekgesprek en het vertrek van eiser naar Algerije via het IOM.
Er waren geen omstandigheden die de bewaring onrechtmatig maakten in de onderzochte periode. Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.