ECLI:NL:RBDHA:2024:6696

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 april 2024
Publicatiedatum
2 mei 2024
Zaaknummer
NL24.9183
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.5a Vreemdelingenbesluit 2000Art. 5.1b Vreemdelingenbesluit 2000
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging terugkeerbesluit en inreisverbod wegens onvoldoende motivering vertrektermijn

Eiser, met de Georgische nationaliteit, kreeg op 12 februari 2024 een terugkeerbesluit en een inreisverbod van twee jaar opgelegd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Eiser vertrok inmiddels naar Georgië, maar stelde beroep in tegen het besluit. De rechtbank oordeelde dat eiser ondanks vertrek procesbelang heeft, omdat het terugkeerbesluit in de toekomst kan worden gebruikt voor een langer inreisverbod.

De rechtbank onderzocht de gronden van het terugkeerbesluit. Eiser stelde dat hij recht had op een vrije termijn voor verblijf en een vertrektermijn, maar de rechtbank vond geen bewijs dat eiser met een Schengenvisum was binnengekomen of dat de vrije termijn was aangevangen. De staatssecretaris had het vertrektermijn onthouden wegens vermeend onttrekkingsgevaar, gebaseerd op het ontbreken van een vast adres, een verdenking van winkeldiefstal en onvoldoende middelen.

De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris onvoldoende had gemotiveerd waarom deze omstandigheden onttrekkingsgevaar opleverden. Bovendien had eiser al een vliegticket naar Georgië en voldoende geld om te reizen. Hierdoor was het onthouden van een vertrektermijn onterecht en mocht ook geen inreisverbod worden opgelegd. Het beroep werd gegrond verklaard, het besluit vernietigd en de staatssecretaris veroordeeld tot betaling van proceskosten.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het terugkeerbesluit met inreisverbod wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering van het onthouden van een vertrektermijn.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.9183
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. H. Palanciyan), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. J.C. van Ossenbruggen-Theodoulou).

Procesverloop

Bij besluit van 12 februari 2024 (het bestreden besluit) heeft de staatssecretaris aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 18 maart 2024 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun respectieve gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser heeft de Georgische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1985.
2. De rechtbank beantwoordt eerst ambtshalve de vraag of eiser procesbelang heeft bij het beroep voor zover dit is gericht tegen het terugkeerbesluit. Eiser heeft inmiddels gevolg gegeven aan het terugkeerbesluit door te vertrekken naar Georgië. De rechtbank is van oordeel dat eiser toch procesbelang heeft. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling)1 volgt namelijk dat, ook als de vreemdeling al vertrokken is, hij nog steeds procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het terugkeerbesluit. Dit al omdat dit besluit mogelijk in de toekomst ingevolge artikel 6.5a, vierde lid, aanhef en onder c, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) mede ten grondslag kan worden gelegd aan een inreisverbod voor de duur van vijf jaren. In het geval van eiser is het terugkeerbesluit al ten grondslag gelegd aan een inreisverbod voor de duur van twee jaar. Het beroep is dus ontvankelijk.
1. Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 1 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3660 en 21 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1178.
3. Eiser voert aan dat hij gedurende een vrije termijn in Nederland mocht verblijven en dat de staatssecretaris die vrije termijn ten onrechte heeft beëindigd.
4. De beroepsgrond slaagt niet. Er is niet gebleken dat eiser met een Schengenvisum is ingereisd, waarmee hij een vrije termijn zou hebben. En ook als eiser wel met een Schengenvisum zou zijn ingereisd, dan is de vrije termijn niet aangevangen. Eiser heeft zich bij aankomst immers niet heeft gemeld bij de Nederlandse autoriteiten. Er is dus geen sprake van een situatie waarin de staatssecretaris de vrije termijn van eiser ten onrechte heeft beëindigd. De staatssecretaris mocht dus een terugkeerbesluit opleggen.
5. Eiser voert aan dat de staatssecretaris hem een termijn voor vrijwillig vertrek had moeten geven.
6. In het terugkeerbesluit heeft de staatssecretaris overwogen dat eiser geen vertrektermijn wordt gegund, omdat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De staatssecretaris heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vb, als lichte gronden vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
7. De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de van toepassing geachte gronden onder 4c, 4d en 4e leiden tot een onttrekkingsgevaar. De staatssecretaris heeft niet toegelicht waarom uit het feit dat eiser geen vast adres heeft in Nederland en dat hij is verdacht van een winkeldiefstal volgt dat er een risico op onttrekking is. Verder heeft verweerder ten onrechte aan eiser tegengeworpen dat hij onvoldoende geld had om zijn uitreis naar Georgië te bekostigen. Uit het gehoor over het terugkeerbesluit en inreisverbod blijkt namelijk dat eiser al een ticket had geregeld, waarmee hij op 15 februari 2024 naar Georgië kon vertrekken. Verder beschikte eiser over
€110,-. Dit bedrag was voldoende om de periode tot zijn vertrek te overbruggen. De beroepsgrond slaagt.
8. Uit het voorgaande volgt dat de staatssecretaris aan eiser ten onrechte een vertrektermijn heeft onthouden. Hieruit vloeit voort dat de staatssecretaris aan eiser ook geen inreisverbod heeft mogen opleggen. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking meer. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit.
9. De rechtbank veroordeelt de staatssecretaris in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.750,
10. (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet de staatssecretaris de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.750,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
11 april 2024

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.