ECLI:NL:RBDHA:2024:6798
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroepen tegen niet in behandeling nemen asielaanvragen wegens Dublinverordening en opvangsituatie Frankrijk
De rechtbank Den Haag heeft op 23 april 2024 de beroepen van eisers behandeld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om hun asielaanvragen niet in behandeling te nemen. De staatssecretaris baseerde zich op de Dublinverordening, die bepaalt dat de lidstaat verantwoordelijk is die als eerste de asielaanvraag heeft geregistreerd, in dit geval Frankrijk. De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.
Eisers voerden aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet toegepast kan worden vanwege inadequate opvang en medische zorg in Frankrijk, onderbouwd met het AIDA-rapport 2022 en eerdere jurisprudentie. Daarnaast stelde een eiser medische problemen te hebben die reguliere zorg vereisen, wat volgens hen onvoldoende wordt geboden in Frankrijk. De rechtbank oordeelde echter dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State recentelijk heeft bevestigd dat het vertrouwensbeginsel ten aanzien van Frankrijk nog steeds geldt en dat de problematiek in het AIDA-rapport niet zodanig structureel en ernstig is dat overdracht aan Frankrijk onrechtmatig is.
De rechtbank stelde vast dat eisers geen bijzondere kwetsbaarheid of individuele omstandigheden hadden aangetoond die overdracht onevenredig hard maken. Ook was uit medische stukken niet gebleken dat noodhulp of verdere behandeling noodzakelijk is. De mogelijkheid tot uitwisseling van medische gegevens en het indienen van klachten bij Franse autoriteiten werd als voldoende waarborg gezien. Daarom hoefde de staatssecretaris geen aanvullende garanties te vragen en was geen toepassing van artikel 17 van Pro de Dublinverordening vereist.
De beroepen zijn daarmee ongegrond verklaard en het besluit van de staatssecretaris blijft in stand. Eisers krijgen geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is openbaar en bevat tevens informatie over de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: De beroepen tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvragen worden ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.