Eiser, van Turkse nationaliteit, stelde beroep in tegen een maatregel van bewaring die op 25 april 2024 door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid was opgelegd. Hij voerde onder meer aan dat de digitale handtekening van de maatregel en het proces-verbaal niet geverifieerd konden worden, waardoor de maatregel niet rechtsgeldig zou zijn.
De rechtbank onderzocht ambtshalve de geldigheid van de digitale handtekeningen en stelde vast dat deze rechtsgeldig waren geplaatst. Verder overwoog de rechtbank dat, ondanks het feit dat eiser familie heeft bij wie hij kan verblijven en bereid is medewerking te verlenen aan overdracht aan Kroatië, niet met een lichter middel kan worden volstaan vanwege eerdere niet-meewerkende houding en het risico op onderduiken.
De rechtbank concludeerde dat er geen onregelmatigheden waren bij de toepassing en tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring die tot onrechtmatigheid zouden leiden. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.