ECLI:NL:RBDHA:2024:7088
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag Somaliër wegens onvoldoende geloofwaardigheid vrees voor Al-Shabaab
Eiser, afkomstig uit Somalië en behorend tot de Midgan-stam, verzocht op 9 augustus 2022 om een verblijfsvergunning asiel. Hij stelde dat hij vanwege bedreigingen door leden van Al-Shabaab en discriminatie vanwege zijn stamafkomst bescherming nodig had. De staatssecretaris wees de aanvraag op 12 januari 2024 af als ongegrond, omdat de gestelde problemen met Al-Shabaab niet geloofwaardig waren en de discriminatie onvoldoende ernstig om bescherming te rechtvaardigen.
De rechtbank behandelde het beroep op 5 april 2024 en oordeelde dat de staatssecretaris terecht het besluit handhaafde. De rechtbank vond dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij concreet en gedetailleerd bedreigd werd door Al-Shabaab, mede vanwege inconsistenties en het ontbreken van ondersteunend bewijs. Ook de documenten over de dood van zijn broertje en de mishandelingen van zijn vrouw werden onvoldoende verbonden aan zijn vrees voor Al-Shabaab.
Ten aanzien van de Midgan-stam oordeelde de rechtbank dat hoewel eiser discriminatie ervaart, deze niet van dien aard is dat hij niet kan functioneren in Somalië. Het overgelegde rapport uit 2012 was verouderd en recente bronnen noemden de Midgan niet als ernstig gediscrimineerde groep. De mishandeling door zijn stiefvader werd niet als relevant voor asielbescherming gezien.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees vergoeding van proceskosten af. Eiser kan binnen vier weken hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en handhaaft de afwijzing van de asielaanvraag wegens onvoldoende aannemelijkheid van de vrees voor Al-Shabaab en onvoldoende discriminatiegrond.