ECLI:NL:RBDHA:2024:7122

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 april 2024
Publicatiedatum
10 mei 2024
Zaaknummer
SGR 23/4997
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling aantal dagloondagen voor ZW-uitkering na beëindiging dienstverband tijdens proeftijd

Verweerder kende aan eiseres een Ziektewet-uitkering toe vanaf 16 maart 2023. Na bezwaar werd het dagloon herzien op basis van het aantal dagloondagen, waarbij het geschil ontstond over het aantal te hanteren dagen: tien volgens eiseres, elf volgens verweerder.

Eiseres stelde dat haar dienstverband eindigde op 14 maart 2023, zoals vermeld in de opzeggingsbrief van haar werkgever, terwijl verweerder uitging van 15 maart 2023 als einddatum, gebaseerd op Suwinet-registratie en salarisspecificatie.

De rechtbank oordeelde dat verweerder zich mocht baseren op de Suwinet-registratie en salarisspecificatie, die zwaarder wegen dan de opzeggingsbrief. Hierdoor is het aantal dagloondagen correct vastgesteld op elf en het dagloon juist berekend.

Het beroep van eiseres werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat het aantal dagloondagen correct is vastgesteld op elf.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/4997 ZW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 april 2024 in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,

verweerder
(gemachtigde: C. Schravesande).

Inleiding

1. Verweerder heeft bij besluit van 13 april 2023 (het primaire besluit) aan eiseres een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend vanaf 16 maart 2023. Het daartegen door eiseres gemaakte bezwaar is bij besluit van 6 juni 2023 (bestreden besluit) gegrond verklaard en het dagloon van de ZW-uitkering is herzien naar € 119,84. Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
2. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
3. De rechtbank heeft het beroep op 11 april 2024 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door [naam], haar vader. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

4. Ter zitting is gebleken dat de beroepsgrond zo moet worden begrepen dat het aantal te hanteren dagloondagen in geschil is. Eiseres stelt dat het om tien dagloondagen gaat. Volgens verweerder zijn het elf dagloondagen. Ter zitting is met partijen besproken dat de vraag van welk aantal dagloondagen moet worden uitgegaan afhankelijk is van het antwoord op de vraag of 15 maart 2023 meetelt als dagloondag. Eiseres voert aan dat in de opzeggingsbrief van 15 maart 2023 van haar werkgever wordt vermeld “Wij bevestigen hierbij de opzegging van jouw dienstverband tijdens proeftijd per 15 maart 2023, zoals vandaag met je besproken”. Hieruit volgt haars inziens dat zij van 1 tot en met 14 maart 2023 in dienst is geweest bij werkgever. Verweerder baseert het aantal van elf dagloondagen op de registratie in Suwinet van het dienstverband van ‘1-15 maart 2023’, waarbij 15 maart 2023 als de einddatum heeft te gelden. De einddatum van 15 maart 2023 is ook vermeld op de salarisspecificatie, gelet op het feit dat bij ‘Periode’ wordt vermeld ‘01/03/2023 – 15/03/2023’. Tussen partijen is de betekenis van het woord ‘per’ niet in geschil. Wel is in geschil of verweerder gebonden is aan de communicatie tussen eiseres en haar werkgever, zoals neergelegd in de opzeggingsbrief.

Beoordeling

5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich bij het bepalen van het aantal dagloondagen mocht laten leiden door de registratie in Suwinet en de salarisspecificatie. Dat de werkgever zich jegens eiseres in de opzeggingsbrief anders heeft uitgelaten doet daar niet aan af. De rechtbank begrijpt het belang van eiseres bij het vaststellen van het aantal dagloondagen, maar de registratie in Suwinet en de salarisspecificatie wegen zwaarder dan de opzeggingsbrief.
6. De rechtbank concludeert dat verweerder van het juiste aantal dagloondagen is uitgegaan en aldus het dagloon op de juiste wijze heeft berekend.
7. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.G. Meeder, rechter, in aanwezigheid van mr. H.B. Brandwijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 april 2024.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.