Uitspraak
1.De procedure
- de conclusie van antwoord, tevens houdende conclusie van eis in reconventie met producties,
- de mondelinge behandeling van 22 maart 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de pleitnota van de VOF.
Rechtbank Den Haag
De VOF voert een kort geding tegen gedaagde wegens inbreuk op haar handelsnaam en beeldmerk. De VOF stelt dat zij sinds 2018 de handelsnaam voert en dat gedaagde zonder toestemming een gelijkende handelsnaam en een verwarrend beeldmerk gebruikt. Gedaagde betwist de vorderingen en voert aan dat hij de handelsnaam en onderneming van de oorspronkelijke eigenaar heeft overgenomen en dat het beeldmerk te kwader trouw is ingeschreven.
De rechtbank oordeelt dat de VOF een spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen en dat zij de oudste rechten op de handelsnaam bezit. Gedaagde heeft onvoldoende bewijs geleverd voor een rechtmatige overname van de handelsnaam. Ook is het gebruik van het beeldmerk door gedaagde verwarringsgevaarlijk en vormt dit merkinbreuk.
De vorderingen van de VOF worden toegewezen, waarbij gedaagde wordt verboden de handelsnamen en het beeldmerk te gebruiken, met een dwangsom voor overtreding. De vorderingen van gedaagde in reconventie worden afgewezen. Gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten van de VOF.
Uitkomst: Gedaagde wordt verboden de handelsnamen en het beeldmerk te gebruiken en veroordeeld in proceskosten.