ECLI:NL:RBDHA:2024:7428

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 mei 2024
Publicatiedatum
16 mei 2024
Zaaknummer
NL24.11652
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 Regeling verstrekkingen asielzoekers 2005Art. 11 Regeling verstrekkingen asielzoekers 2005Art. 56 Vreemdelingenwet 2000Art. 3 EVRMArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrondverklaring beroep tegen plaatsing in Handhaving- en Toezichtlocatie en vrijheidsbeperkende maatregel

Eiser, van Eritrese nationaliteit, werd op 19 februari 2024 geplaatst in een Handhaving- en Toezichtlocatie (HTL) te Hoogeveen na een ernstig incident op 16 februari 2024 waarbij hij onder invloed van alcohol fysiek en verbaal agressief was tegen medewerkers van het COa, Trigion en de politie. Het COa en de staatssecretaris legden een vrijheidsbeperkende maatregel op ter handhaving van de openbare orde.

Eiser stelde dat hij een alcoholprobleem heeft en dat plaatsing in de HTL onrechtmatige vrijheidsbeneming is, verwijzend naar het FMS-arrest en het EVRM. Hij voerde tevens aan dat de medische contra-indicaties onvoldoende waren onderzocht en dat hij zich inmiddels had aangepast.

De rechtbank oordeelde dat het COa voldoende gemotiveerd en zorgvuldig had gehandeld, dat het incident met grote impact was en dat er geen sprake was van vrijheidsontneming maar van vrijheidsbeperking. De medische situatie was adequaat beoordeeld, en eiser had onvoldoende individuele omstandigheden aangevoerd voor schending van artikel 3 en Pro 8 EVRM.

Gelet op de feiten en het ontbreken van een ROV-maatregel, wees de rechtbank het beroep tegen het plaatsingsbesluit en de vrijheidsbeperkende maatregel af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het plaatsingsbesluit en de vrijheidsbeperkende maatregel is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.11652 en AWB 24/6285

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 mei 2024 in de zaak tussen

[naam] , eiser,

geboren op [geboortedatum] ,
van Eritrese nationaliteit,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. A.A. Hardoar)
en

het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa), het COa,

alsmede

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris,

(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).

Procesverloop

Bij besluit van 19 februari 2024 (hierna: het plaatsingsbesluit) heeft het COa op grond van artikel 10, eerste lid aanhef en onder h en i, en artikel 11, eerste lid, van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (Rva 2005) besloten om eiser per die datum te plaatsen in een Handhaving- en Toezichtlocatie (HTL) te Hoogeveen.
Bij besluit van 19 februari 2024 (hierna: de vrijheidsbeperkende maatregel) heeft de staatssecretaris aan eiser de maatregel van beperking van de vrijheid opgelegd, zoals bedoeld in artikel 56, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Eiser heeft op 17 maart 2024 tegen het plaatsingsbesluit (AWB 24/6285) en de vrijheidsbeperkende maatregel (NL24.11652) beroep ingesteld. Eiser heeft gronden ingediend.
Het COa heeft een verweerschrift ingediend.
Op 8 mei 2024 is de vrijheidsbeperkende maatregel opgeheven, omdat eiser de HTL is uitgestroomd.
De rechtbank heeft de beroepen op 10 mei 2024 op zitting behandeld. Eiser, het COa en de staatssecretaris hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1. Het COa heeft bij het plaatsingsbesluit besloten om eiser met ingang van 19 februari 2024 in de HTL te Hoogeveen te plaatsen. Door het COa is geconstateerd dat eiser zich op 16 februari 2024 op de locatie Hardenberg (POL) schuldig heeft gemaakt aan gedragingen die zijn te kwalificeren als gedragingen die een zeer grote impact hebben doen ontstaan. Op die datum heeft eiser in beschonken toestand een COa-medewerker met gebalde vuist geslagen en heeft hij voorwerpen naar deze medewerker gegooid. Tevens heeft eiser een poging gedaan om fysiek geweld te gebruiken richting medewerkers van Trigion en de politie. Ondanks dat er sprake was van een poging tot fysiek geweld, staat de ernst van deze poging vast. Het werd door COa- en Trigion medewerkers noodzakelijk geacht eiser fysiek te begrenzen om de situatie te de-escaleren. Hierdoor heeft eiser de veiligheid van deze medewerkers in geding gebracht. Tijdens het incident is eiser ook verbaal agressief geweest naar medewerkers van het COa en de politie. Naast de verbale agressie heeft eiser tijdens het incident medewerkers van het COa en de politie ook bespuugd en besmeurd met bier. Na afloop van het incident is eiser aangehouden door de politie en overgebracht naar het cellencomplex in Zwolle. Door 2 medewerkers is aangifte tegen eiser gedaan. Eisers gedragingen en de omstandigheid dat er in zijn dossier al meerdere incidenten zijn gedocumenteerd waarbij sprake is van geweld en agressie tegen personen maken dat de plaatsing in de HTL rechtvaardigt is. Het feit dat eiser onder invloed van alcohol verkeerde maakt, volgens het COa, niet dat eiser niet verantwoordelijk gesteld kan worden voor zijn gedrag. Het feit dat eiser zich niet kan herinneren wat er gebeurd is evenmin, omdat het COa in het bezit is van voldoende feiten, waaronder personele waarnemingen en verklaringen, om eiser verantwoordelijk te kunnen stellen voor het incident.
2. De staatssecretaris heeft met de vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 56 van Pro de Vw eiser verplicht om zich met ingang van 19 februari 2024 in een deel van de gemeente Hoogeveen, te weten binnen de op de bij de vrijheidsbeperkende maatregel bijgevoegde plattegrond aangegeven gebieden, op te houden. De staatssecretaris heeft overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert en heeft ter motivering van dit besluit verwezen naar het plaatsingsbesluit waarin het incident dat zich heeft voorgedaan is toegelicht.
Standpunten van partijen
3. Eiser heeft allereerst aangevoerd dat hij een alcoholprobleem heeft en verslavingszorg nodig heeft. Dit is een contra-indicatie voor plaatsing in een HTL. Er is onterecht voorafgaand aan het opleggen van het plaatsingsbesluit niet bekeken of er medische contra-indicaties waren. Voorts stelt eiser zich op het standpunt dat plaatsing in de HTL onrechtmatige vrijheidsbeneming is. Hij beroept zich in dat kader op het FMS arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 mei 2020. Ook wijst eiser op het risico dat bestaat dat men langer dan de maximaal toegestane verblijfsduur van 13 weken in de HTL verblijft. De plaatsing is ook in strijd met artikel 3 en Pro 8 van het EVRM. In weerwil van de uitspraak van 16 februari 2024 van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, is eiser van mening dat de plaatsing wel vrijheidsontneming oplevert omdat hij een asielprocedure heeft lopen en verder nergens heen kan. Eiser is inmiddels in staat geweest om een keuze te maken en heeft zijn gedrag aangepast. Hij houdt zich aan alle regels wat betekent dat een voortgezet verblijf niet langer noodzakelijk is in verband met de handhaving van de openbare orde.
4. Het COa stelt dat het plaatsingsbesluit terecht is opgelegd. De medische situatie van eiser is zorgvuldig beoordeeld. Niet is aangetoond noch anderszins in gebleken dat de psychische situatie van eiser aan zijn verblijf in de HTL in de weg staat. Onder verwijzing naar rechtspraak van deze rechtbank en zittingsplaats stelt verweerder zich op het standpunt dat er geen sprake is geweest van schending van artikel 3 en Pro 8 EVRM en evenmin van vrijheidsontneming.
Oordeel van de rechtbank ten aanzien van het plaatsingsbesluit
5. De rechtbank is van oordeel dat het COa op goede gronden en voldoende gemotiveerd heeft besloten tot plaatsing van eiser in de HTL. De rechtbank ziet in wat eiser in zijn gronden naar voren heeft gebracht geen aanleiding om te twijfelen aan de feitelijke verslaglegging van het incident. Zoals ook uiteengezet in rechtsoverweging 1 volgt uit de verslaglegging van het COa dat eiser zich op 16 februari 2024 onder invloed van alcohol, fysiek en verbaal ernstig heeft misdragen. Eiser heeft gewelddadig gedrag vertoond door fysiek geweld te gebruiken tegen medewerkers van het COa, Trigion en de politie. Eiser heeft verbale bedreigingen geuit richting medewerkers van het COa en Trigion. De enkele stelling van eiser dat hij niks meer weet van het incident omdat hij in beschonken toestand verkeerde, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om te twijfelen aan de beschrijving van de feiten door het COa. Het COa heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat, ook al was eiser in een beschonken toestand, eiser verantwoordelijk kan worden gehouden voor zijn gedrag. De rechtbank is van oordeel dat het COa het incident op 16 februari 2024 terecht heeft aangemerkt als een incident met een zeer grote impact. De rechtbank is voorts van oordeel dat het COa op goede gronden heeft overwogen dat een HTL-maatregel niet enkel is bedoeld om overlastgevers te confronteren met de gevolgen van hun gedrag, maar ook is bedoeld voor het beschermen van de veiligheid en het welzijn van de andere bewoners en het COa-personeel van de opvanglocatie.
5.1.
De rechtbank is tevens van oordeel dat er geen sprake is van vrijheidsontneming, maar van vrijheidsbeperking. De rechtbank verwijst voor het toetsingskader naar de uitspraken die zijn gedaan door deze rechtbank en deze zittingsplaats van 10 juli 2020 [1] , 3 februari 2023 [2] en 2 februari 2024. [3] De rechtbank ziet in eisers betoog geen aanleiding om anders te oordelen over de vraag of er bij een HTL-plaatsing sprake is van vrijheidsontneming. Naar het oordeel van de rechtbank maakt de mogelijkheid dat iemand langer dan 13 weken in de HTL kan verblijven niet dat er in het geval van eiser sprake is van een onrechtmatige vrijheidsontneming. De rechtbank overweegt dat er in het geval van eiser niet is gebleken dat aan eiser een ROV-maatregel is opgelegd. De rechtbank overweegt voorts dat indien eiser in een ROV-kamer wordt geplaatst, hij tegen deze maatregel rechtsmiddelen kan aanwenden. Ook de stelling van eiser dat er sprake is van strijd met de artikelen 3 en 8 EVRM volgt de rechtbank niet. Hiertoe overweegt de rechtbank dat eiser niet met individuele omstandigheden heeft onderbouwd dat er sprake is van schending van deze artikelen.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat het COa de medische omstandigheden van eiser voldoende heeft meegewogen bij oplegging van de maatregel. De rechtbank overweegt dat voor zover eiser meent dat sprake is van een contra-indicatie omdat hij kampt met een alcoholverslaving, het COa zorgvuldig heeft gehandeld door het GZA voor de HTL-plaatsing te raadplegen. Het GZA heeft niet aangegeven dat er een medische contra-indicatie bestaat voor plaatsing in de HTL in het geval van eiser.
6. Het beroep tegen het plaatsingsbesluit is ongegrond.
Oordeel van de rechtbank ten aanzien van de vrijheidsbeperkende maatregel
7. Gelet op de ongegrondverklaring van het beroep tegen het plaatsingsbesluit en gelet op de omstandigheid dat de vrijheidsbeperkende maatregel volledig steunt op dat besluit is de rechtbank van oordeel dat het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel eveneens ongegrond moet worden verklaard.
8. Het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel is ongegrond.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.Y.B. Jansen, rechter, in aanwezigheid van mr. P.C.J. Lindeijer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
de griffier de rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen het plaatsingsbesluit, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking. Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel, staat geen rechtsmiddel open.
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.