ECLI:NL:RBDHA:2024:7564
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toewijzing verzoek proceskostenveroordeling na intrekking voorlopige voorziening in zaak tijdelijke bescherming
Verzoeker, vallend onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB), ontving een informatiebrief waarin werd medegedeeld dat zijn tijdelijke bescherming zou stoppen per 4 maart 2024. Hiertegen stelde verzoeker beroep in en vroeg een voorlopige voorziening, welke op 28 maart 2024 werd afgewezen.
Op 5 april 2024 diende verzoeker een nieuw verzoek om voorlopige voorziening in. De staatssecretaris liet verzoeker vervolgens weten dat de gevolgen van het stoppen van tijdelijke bescherming waren bevroren vanwege prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Hierdoor kon verzoeker weer gebruikmaken van zijn rechten onder de RTB.
Verzoeker trok daarop het verzoek in en vroeg om een proceskostenveroordeling. De voorzieningenrechter oordeelde dat de staatssecretaris aan verzoeker was tegemoetgekomen en dat dit reden was om de proceskostenveroordeling toe te wijzen. De proceskosten werden vastgesteld op € 875,-, te betalen aan de rechtsbijstandverlener van verzoeker.
De uitspraak werd gedaan zonder zitting en is onherroepelijk, waarbij geen hoger beroep of verzet mogelijk is.
Uitkomst: De staatssecretaris wordt veroordeeld tot betaling van € 875,- aan verzoeker wegens proceskosten.