ECLI:NL:RBDHA:2024:7619

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 mei 2024
Publicatiedatum
22 mei 2024
Zaaknummer
NL24.19035
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b VwArt. 5.1b VbArt. 67 WetArt. 66a Wet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van bewaring en rechtsbijstand in vreemdelingenprocedure

De rechtbank Den Haag heeft op 21 mei 2024 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak waarin eiser beroep instelde tegen een maatregel van bewaring opgelegd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op grond van de Vreemdelingenwet 2000.

Eiser stelde dat het gehoor plaatsvond zonder zijn gemachtigde, wat een gebrek opleverde dat tot opheffing van de bewaring moest leiden. De rechtbank oordeelde echter dat eiser vooraf had aangegeven geen gebruik te willen maken van rechtsbijstand tijdens het gehoor en dat de voorkeursadvocaat van eiser had verklaard hem niet te kunnen bijstaan. Hierdoor was er geen sprake van een gebrek.

De staatssecretaris had de bewaring gebaseerd op zware gronden, waaronder het niet op voorgeschreven wijze binnenkomen van Nederland en het onttrekken aan toezicht. De rechtbank vond deze gronden feitelijk juist en voldoende om de bewaring te dragen. Daarnaast was er geen sprake van onvoldoende voortvarendheid, aangezien eiser een gepland asielgehoor had geweigerd en een nieuw gehoor was gepland.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.19035

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 mei 2024 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. E. Derksen),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid

(gemachtigde: mr. N. Mikolajczyk).

Inleiding

1. Bij besluit van 29 april 2024 (het bestreden besluit) heeft de staatssecretaris aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 14 mei 2024 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

Mocht het gehoor plaatsvinden zonder aanwezigheid van de gemachtigde van eiser?
2. Eiser voert aan dat het gehoor heeft plaatsgevonden zonder aanwezigheid van een gemachtigde, terwijl eiser dit wel wenste. Daarnaast heeft eiser zijn voorkeur voor een gemachtigde uitgesproken, maar is hij tijdens het gehoor niet door haar bijgestaan. Hierdoor is er sprake van een gebrek wat moet leiden tot opheffing van de bewaring.
2.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt stelt dat is gehandeld overeenkomstig paragraaf A5/6.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000). Voorafgaand aan het gehoor is er contact geweest met de piketadvocaat. Op pagina 2 van het formulier M110 staat vervolgens vermeld dat eiser heeft aangegeven tijdens het gehoor geen gebruik te willen maken van zijn recht op kosteloze rechtsbijstand. Op pagina 3 staat weliswaar vermeld dat eiser bevestigend antwoordde op de vraag of hij gebruik wil maken van rechtsbijstand op kosten van de staat, maar dit ziet niet specifiek op rechtsbijstand tijdens het gehoor maar tijdens de gehele procedure. Vervolgens geeft eiser aan dat met het gehoor aangevangen kan worden en dat hij niet wenst te wachten op zijn gemachtigde. Op pagina 4 staat vervolgens vermeld dat eiser aan de verbalisant vraagt of deze contact op kan nemen met de voorkeursadvocaat die hem in 2021 ook heeft bijgestaan. Dit is ook gebeurd. De voorkeursadvocaat heeft toen aangegeven dat zij eiser niet verder kon helpen en dat hij met zijn pikadvocaat in gesprek moest gaan. Deze gang van zaken is op de zitting ook bevestigd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat uit het voorgaande niet volgt dat eiser een gemachtigde bij het gehoor wenste te hebben. Verder is gebleken dat de voorkeursadvocaat zelf heeft aangegeven eiser niet te kunnen bijstaan, waardoor haar afwezigheid niet als gebrek gezien kan worden.
Kunnen de gronden de maatregel van bewaring dragen?
3. In de maatregel van bewaring heeft de staatssecretaris overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en mede met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van een asielaanvraag en het risico op onttrekking aan het toezicht op vreemdelingen. De staatssecretaris heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;
3h. tot ongewenst vreemdeling is verklaard als bedoeld in artikel 67 van Pro de Wet of tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Wet;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld;
4f. arbeid heeft verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen.
3.1.
De staatssecretaris heeft op de zitting de zware gronden 3f en 3h en de lichte gronden 4e en 4f laten vallen. Deze gronden liggen dus niet langer aan de maatregel van bewaring ten grondslag.
3.2.
Eiser heeft de zware gronden 3a, 3b, 3d, 3i en lichte gronden 4a, 4b, 4c, en 4d betwist. De rechtbank is van oordeel dat de zware gronden 3a en 3b feitelijk juist zijn. Deze twee zware gronden zijn voldoende om de maatregel te kunnen dragen, zodat de rechtbank de bespreking van de andere gronden niet toekomt.
3.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de staatssecretaris de zware grond 3a terecht tegengeworpen, omdat deze feitelijk juist is. Dat eiser nu door middel van een laissez-passer vanuit Frankrijk Nederland is binnen gekomen, doet niets af aan het feit dat hij Nederland in het verleden niet op de voorgeschreven wijze is ingereisd.
3.4.
Ook de zware grond 3b is feitelijk juist. De staatssecretaris heeft er terecht op gewezen dat op 30 juni 2020 is geregistreerd dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. Hiermee heeft eiser zich aan het toezicht onttrokken.
Heeft de staatssecretaris voldoende voortvarend gehandeld?
4. Eiser voert aan dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend werkt aan eisers asielaanvraag, omdat er meer dan twee weken zijn verstreken sinds eiser in bewaring zit en een asielaanvraag heeft ingediend en nog geen asielgehoor heeft plaatsgevonden.
4.1.
In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend werkt aan eisers asielprocedure. De reden hiervoor is dat de staatssecretaris op de zitting heeft toegelicht dat eiser heeft geweigerd medewerking te verlenen aan het asielgehoor dat gepland stond op 6 mei 2024. Dit wordt door eiser ook niet betwist. Op 15 mei 2024 staat een nieuw asielgehoor gepland. Daarmee handelt de staatssecretaris voldoende voortvarend. Dat de gemachtigde van eiser hier niet van op de hoogte was maakt het voorgaande niet anders. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van mr. T.M.T. Brandsma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.