ECLI:NL:RBDHA:2024:763
Rechtbank Den Haag
- Verstek
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen kennelijk ongegrondverklaring asielberoep op grond van Dublinverordening Oostenrijk
Opposant had beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen. De rechtbank had dit beroep op 17 november 2023 kennelijk ongegrond verklaard, omdat niet aannemelijk was gemaakt dat Oostenrijk zich niet aan zijn verdragsverplichtingen houdt en het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet langer geldt.
Tegen deze uitspraak stelde opposant verzet in en voerde aan dat hij wel degelijk aannemelijk had gemaakt dat Oostenrijk zich niet aan de verdragsverplichtingen houdt, mede vanwege zijn ervaringen met de Oostenrijkse rechter en de materiële deprivatie die hem bij overdracht zou treffen.
De rechtbank oordeelt in het verzet dat deze argumenten onvoldoende zijn om twijfel te zaaien over de eerdere conclusie dat het beroep kennelijk ongegrond is. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel blijft van toepassing, mede omdat Oostenrijk met het claimakkoord internationale richtlijnen naleeft. Klachten over opvang en behandeling dienen bij Oostenrijkse autoriteiten te worden ingediend.
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond en bevestigt daarmee de eerdere uitspraak. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak blijft in stand.