Eiser werd op 13 april 2024 onderworpen aan een maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De maatregel werd op 8 mei 2024 opgeheven. De rechtbank beoordeelde of de tenuitvoerlegging van de bewaring onrechtmatig was en of eiser recht had op een schadevergoeding.
De rechtbank stelde vast dat de bewaring van meet af aan onrechtmatig was vanwege onvoldoende voortvarendheid. Eiser, die rolstoelgebonden is en medische zorg ontvangt vanuit het ziekenhuis, betoogde dat hij een hogere schadevergoeding dan het standaardbedrag van €130 per dag verdiende, omdat de detentieomstandigheden niet waren aangepast aan zijn invaliditeit.
De rechtbank volgde dit betoog niet, verwijzend naar vaste jurisprudentie waarin enkel rolstoelgebondenheid geen grond is voor een hogere vergoeding. Eiser had zijn medische situatie onvoldoende onderbouwd met medische stukken en er was geen bewijs dat de benodigde zorg in het detentiecentrum ontbrak of dat de detentie onevenredig bezwarend was.
De rechtbank kende een schadevergoeding toe van €2.630,- voor 26 dagen onrechtmatige bewaring, conform het standaardbedrag. Daarnaast werd verweerder veroordeeld tot betaling van proceskosten van €1.750,-. Het beroep werd gegrond verklaard en de uitspraak op 16 mei 2024 uitgesproken.