ECLI:NL:RBDHA:2024:7763
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking beroep asielaanvraag
Deze bestuursrechtelijke zaak betreft het beroep van verzoeker tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Verzoeker stelde dat de beslistermijn was begonnen op de datum van ontvangst van een loopbrief, maar de rechtbank oordeelde dat deze termijn pas start met de ondertekening van het M35-H-formulier op 3 september 2022.
Door een besluit van 27 september 2022 (WBV 2022/22) werd de beslistermijn voor asielaanvragen verlengd met negen maanden, waardoor de uiterste beslisdatum op 3 december 2023 viel. De ingebrekestelling van verzoeker op 14 november 2023 was daarom prematuur en het beroep niet-ontvankelijk.
Naar aanleiding van het alsnog inwilligen van de aanvraag op 25 januari 2024 trok verzoeker het beroep in en verzocht om vergoeding van proceskosten. De rechtbank oordeelde dat geen sprake was van geheel of gedeeltelijk tegemoetkomen aan het beroep in de zin van artikel 8:75a Awb, waardoor het verzoek tot proceskostenvergoeding werd afgewezen.
De uitspraak werd gedaan zonder zitting op grond van artikel 8:54 Awb Pro en bevestigt de toepassing van de verlengde beslistermijn en de voorwaarden voor proceskostenveroordeling bij intrekking van een beroep.
Uitkomst: Het verzoek tot proceskostenvergoeding wordt afgewezen omdat het beroep niet ontvankelijk was en geen sprake was van tegemoetkomen aan het beroep.