ECLI:NL:RBDHA:2024:7773
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag en ambtshalve toetsing verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM
Eiser, van Iraakse nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning asiel, nadat hij vanwege bedreigingen door leden van het Al Mahdi leger (nu Asa’ib al-Haq) Irak had verlaten. Zijn broer was in 2008 vermoord, wat eiser toeschrijft aan deze terroristische groep. Verweerder achtte het relaas over de betrokkenheid van het Al Mahdi leger ongeloofwaardig en wees de asielaanvraag af.
De rechtbank bevestigt dat verweerder terecht twijfelde aan de geloofwaardigheid van het relaas, mede omdat de overgelegde overlijdensakte geen bewijs levert dat de terroristische groep verantwoordelijk is en omdat de verklaringen van eiser inconsistent waren. Daarnaast vond verweerder het onwaarschijnlijk dat de groep Asa’ib al-Haq geen contact zocht met eiser tijdens zijn onderduikperiode.
Verweerder heeft ambtshalve getoetst of op grond van artikel 8 EVRM Pro een verblijfsvergunning verleend kan worden vanwege het gezinsleven met zijn in Nederland verblijvende echtgenote en kinderen. De belangenafweging viel negatief uit, mede omdat het gezinsleven niet in Nederland is ontstaan, er geen objectieve belemmeringen zijn voor voortzetting in Irak en de Nederlandse nationaliteit van de gezinsleden geen zelfstandige verblijfsrechtelijke betekenis heeft.
Eiser voerde aan dat de belangen van de kinderen onvoldoende zijn meegewogen en dat zijn economische positie als automonteur onvoldoende is betrokken, maar deze bezwaren werden door de rechtbank verworpen. Ook het beroep op het Chavez-Vilchez arrest is niet geschikt voor ambtshalve toetsing in de asielprocedure. Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en de ambtshalve verleende verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM wordt geweigerd.