Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
Beslissing
- verklaart de beroepen ongegrond;
- wijst de verzoeken om schadevergoeding af.
Rechtbank Den Haag
Eisers, beiden met de Syrische nationaliteit, werden op 4 april 2024 in vreemdelingenbewaring gesteld door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zij maakten bezwaar tegen deze maatregel en stelden beroep in, dat tevens werd aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. De bewaring werd op 10 april 2024 opgeheven, waarna de rechtbank op 22 april 2024 de zaak behandelde.
De kern van het geschil betrof de vraag of de tenuitvoerlegging van de bewaring voorafgaand aan de opheffing onrechtmatig was, en of de staatssecretaris voldoende voortvarend had gehandeld bij de overdracht van eisers aan Oostenrijk. Eisers betoogden dat de staatssecretaris te laat had besloten hun asielverzoeken niet in behandeling te nemen en te laat tot inbewaringstelling was overgegaan, ondanks een eerder claimakkoord met Oostenrijk.
De rechtbank oordeelde dat de gronden voor de bewaring, waaronder het concrete aanknopingspunt voor overdracht op grond van de Dublinverordening en het risico op toezichtonttrekking, de maatregel konden dragen. De voortvarendheid van de staatssecretaris werd beoordeeld als voldoende, omdat de overdracht en het vertrekgesprek tijdig plaatsvonden na de inbewaringstelling. Ambtshalve toetsing leidde tot de conclusie dat de bewaring niet onrechtmatig was.
Daarom verklaarde de rechtbank de beroepen ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: De beroepen tegen de vreemdelingenbewaring zijn ongegrond verklaard en de verzoeken om schadevergoeding zijn afgewezen.