ECLI:NL:RBDHA:2024:7822
Rechtbank Den Haag
- Verzet
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep tegen terugkeerbesluit wegens ontbreken schriftelijke machtiging
De zaak betreft het verzet van opposant tegen de uitspraak van 13 oktober 2023, waarbij het beroep tegen een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn niet-ontvankelijk werd verklaard. Dit omdat opposant geen schriftelijke machtiging overlegde, ondanks herstelverzuim en meerdere verzoeken van de rechtbank.
Opposant stelde in verzet dat zij de termijn voor het aanleveren van de machtiging verkeerd had geïnterpreteerd en dat zij vanwege verblijf in Ierland pas op 9 september 2023 de machtiging kon toesturen. De rechtbank oordeelde dat zelfs bij aanvang van de termijn op 3 augustus 2023 de machtiging uiterlijk 31 augustus had moeten worden overgelegd. Het ontbreken van communicatie over de vertraging en het late aanleveren leidde tot het oordeel dat geen twijfel over de uitkomst van het beroep was ontstaan.
De rechtbank concludeerde dat een zitting geen ander resultaat zou hebben opgeleverd en verklaarde het verzet ongegrond. De uitspraak bevestigt de strikte naleving van procedurele vereisten bij bestuursrechtelijke beroepen en benadrukt het belang van tijdige en juiste indiening van machtigingen.
Uitkomst: Het verzet is ongegrond verklaard en het beroep tegen het terugkeerbesluit blijft niet-ontvankelijk wegens ontbreken van een schriftelijke machtiging.