ECLI:NL:RBDHA:2024:7961
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- M.M. Kuipers
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris om hun aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van hun asielaanvraag op grond van de Dublinverordening.
De rechtbank heeft het beroep op 5 maart 2024 behandeld en beoordeeld of de staatssecretaris terecht heeft besloten de aanvraag niet in behandeling te nemen. Eisers stelden dat de staatssecretaris ten onrechte geen aparte toets heeft toegepast op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening en het belang van het kind onvoldoende heeft meegewogen, mede gezien de omstandigheden waarin zij met een minderjarig kind op straat moesten slapen in Duitsland.
De rechtbank overwoog dat de staatssecretaris mocht uitgaan van het vermoeden dat Duitsland zijn internationale verplichtingen nakomt en dat eisers geen concrete aanwijzingen hadden geleverd die dit vermoeden ondermijnen. Ook is meegewogen dat eisers in Duitsland opvang hebben ontvangen en dat het beëindigen van opvang na afwijzing van een asielverzoek ook in Nederland voorkomt. De verwijzingen naar het IVRK, de Opvangrichtlijn en de Dublinverordening leiden niet tot een ander oordeel.
De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is en dat het besluit van de staatssecretaris in stand blijft. Eisers krijgen geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep van eisers tegen het niet in behandeling nemen van hun asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.