Partijen zijn gehuwd en hebben twee minderjarige kinderen. De vrouw verzoekt wijziging van de voorlopige voorziening met betrekking tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning, omdat de man inmiddels elders woont en zij met de kinderen in de woning wil blijven.
De man verzet zich en stelt dat hij de woning nodig heeft voor zijn onderneming, die hij op het erf van de woning drijft. Hij klaagt over belemmeringen door de vrouw en haar familie, wat zijn bedrijfsvoering schaadt.
De rechtbank overweegt dat de gewijzigde omstandigheden bestaan doordat de man nu een eigen woonruimte heeft. Desondanks weegt het belang van de kinderen zwaarder dan het belang van de man om zonder aanwezigheid van de vrouw in de woning te werken. De bedrijfsvoering is niet onmogelijk gebleken.
De rechtbank wijst het verzoek van de man af en bevestigt het uitsluitend gebruik van de woning door de vrouw tot de bodemprocedure of een andere regeling. Ook de verzoeken over toevertrouwing en zorgregeling worden afgewezen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.