Verzoeker, een Russische asielzoeker met een afgewezen asielaanvraag en een verslavingsproblematiek, verzocht om een voorlopige voorziening om opvang te blijven ontvangen na beëindiging van de Rva-verstrekkingen per 16 mei 2024.
De voorzieningenrechter overwoog dat het COA de Rva-verstrekkingen mag beëindigen na het onherroepelijk afwijzen van het asielverzoek en dat de brief van het COA geen besluit in de zin van de Awb is. Verzoeker stelde dat zijn medische situatie bijzondere opvang vereiste, maar uit de stukken bleek geen acute medische noodsituatie die opvang rechtvaardigt.
De voorzieningenrechter concludeerde dat het bezwaar tegen het besluit geen redelijke kans van slagen heeft en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Verzoeker kan bij medische noodsituaties aanspraak maken op noodzakelijke zorg op grond van de Vreemdelingenwet.