Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]
Procesverloop
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Rechtbank Den Haag
Eiser, van Poolse nationaliteit, werd op 29 april 2024 staande gehouden in Amsterdam nadat hij werd aangetroffen slapend in een portiek. De rechtbank oordeelt dat deze staandehouding rechtmatig was op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) en strafrechtelijke gronden.
Eiser betoogde dat hij als Unieburger niet in bewaring gesteld mocht worden omdat hij voldaan zou hebben aan een verwijderingsbesluit door binnen een maand na uitzetting terug te keren naar Nederland. De rechtbank verwijst naar het arrest van het Hof van Justitie van de EU en concludeert dat eiser zijn verblijf in Nederland niet daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd, mede omdat hij niet in Polen staat ingeschreven en geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft.
De staatssecretaris stelde bewaring in vanwege het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken en de uitzettingsprocedure zou belemmeren. De rechtbank acht de gronden voor bewaring zwaarwegend en voldoende onderbouwd.
Eiser stelde dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend was in de uitzetting, maar de rechtbank constateert dat een vertrekgesprek heeft plaatsgevonden, een vlucht is aangevraagd en geboekt. Ambtshalve toetsing van de rechtmatigheid van de bewaring tot het moment van sluiting van het onderzoek levert geen onrechtmatigheid op.
Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Uitkomst: Het beroep tegen de bewaring en staandehouding wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.