ECLI:NL:RBDHA:2024:8102
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen beëindiging tijdelijke bescherming
Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid waarin de tijdelijke bescherming, verleend op grond van Richtlijn 2001/55/EG, is beëindigd. Tevens heeft zij verzocht om een voorlopige voorziening om de gevolgen van dit besluit te stuiten.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening buiten zitting beoordeeld op basis van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Gelet op de uitspraak in de hoofdzaak (zaaknummer NL23.26127), waarin reeds op het beroep is beslist, is een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk.
Daarom is het verzoek om voorlopige voorziening als kennelijk ongegrond afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het beëindigen van de tijdelijke bescherming is afgewezen.