ECLI:NL:RBDHA:2024:8138
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende economische en sociale binding met Iran
Eisers, beiden Iraanse nationaliteit, vroegen een visum voor kort verblijf aan voor een familiebezoek aan hun zoon in Nederland. De minister van Buitenlandse Zaken wees deze aanvragen af wegens onvoldoende bewijs dat eisers na hun verblijf tijdig zouden terugkeren naar Iran, met name vanwege onvoldoende economische en sociale binding.
Eisers stelden dat zij wel degelijk een sterke binding met Iran hebben, onder meer door het beroep van eiser als advocaat met eigen praktijk en hun uitgebreide sociale netwerk. Ter onderbouwing overlegden zij onder andere inschrijving bij de Iraanse orde van advocaten, belastingaanslagen en bankafschriften. De rechtbank oordeelde echter dat deze stukken onvoldoende inzicht boden in het inkomen en de werkzaamheden van eiser, en dat de sociale binding onvoldoende was omdat hun kinderen in Nederland en de Verenigde Staten wonen.
Daarnaast verwierp de rechtbank het verweer dat het bestreden besluit onzorgvuldig was voorbereid vanwege een vermeende onjuiste valutaomzetting. Ook een betoog over schending van de hoorplicht werd niet behandeld omdat dit niet tijdig was ingebracht.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waardoor de afwijzing van de visumaanvragen in stand blijft. Eisers krijgen geen terugbetaling van griffierecht of vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvragen voor kort verblijf wordt ongegrond verklaard.