ECLI:NL:RBDHA:2024:8168

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 juni 2024
Publicatiedatum
29 mei 2024
Zaaknummer
23/6089
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging terugvordering bijstand na herziening en intrekking

De zaak betreft een beroep van eiser tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag tot herziening en terugvordering van bijstand over de periode van 7 april 2015 tot en met 2 december 2020. Het college had eerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard, waarna de rechtbank in juni 2023 het bezwaar deels vernietigde en het college opdroeg een nieuw besluit te nemen.

In het bestreden besluit van 14 augustus 2023 verklaarde het college het bezwaar gegrond en stelde het terugvorderingsbedrag vast op € 24.713,99. Eiser stelde dat de terugvorderingsperiode ten onrechte was verlengd tot 31 december 2020, terwijl de bijstand na 2 december 2020 was ingetrokken.

De rechtbank oordeelde dat de terugvorderingsperiode niet was verlengd en dat sprake was van een kennelijke verschrijving in de tabel in het besluit. De terugvordering loopt correct tot en met 2 december 2020. Het beroep van eiser is daarom ongegrond verklaard. Eiser krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

De uitspraak is gedaan door rechter M. van Paridon op 4 juni 2024 en is openbaar. Partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid van hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep binnen zes weken na verzending van de uitspraak.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot terugvordering van bijstand wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/6089

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 juni 2024 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. C. Arslaner),
en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college

(gemachtigde: mr. L.J. van der Zwart).

Inleiding

1. Bij besluit van 25 januari 2021 (primair besluit) heeft het college de uitkeringen van eiser op grond van de Participatiewet (Pw) over de periode van 7 april 2015 tot en met 2 december 2020 herzien (lees: deels herzien en deels ingetrokken) en de teveel ontvangen bijstand en inkomenstoeslagen van € 22.327,56 teruggevorderd. Bij besluit van 25 mei 2021 heeft het college het bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
1.1.
Bij uitspraak van 23 juni 2023 heeft deze rechtbank het beroep van eiser tegen de beslissing op bezwaar van 25 mei 2021 gegrond verklaard, het besluit van 25 mei 2021 vernietigd voor zover het ziet op de herziening van de bijstand over de periode van 7 april 2015 tot 24 april 2019 en de terugvordering in zijn geheel, en verder het college opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar tegen het primaire besluit voor zover het betreft de herziening over de periode van 7 april 2015 tot 24 april 2019 en voor zover het betreft de terugvordering.
1.2.
Het college heeft in navolging van de uitspraak van 23 juni 2023 het besluit van 14 augustus 2023 (bestreden besluit) genomen. Daarbij heeft het college het bezwaar tegen het primaire besluit gegrond verklaard en het totale terugvorderingsbedrag (inclusief brutering) bepaald op € 24.713,99.
1.3.
Tegen het besluit van 14 augustus 2023 is eiser in beroep gegaan.
1.4.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 23 april 2024 op zitting behandeld. De gemachtigde van eiser is verschenen. Namens het college zijn verschenen de gemachtigde van het college en [naam] .

Beoordeling door de rechtbank

2. In het bestreden besluit staat op pagina 3 het volgende:
“(…)
Overwegingen
In de uitspraak van de Rechtbank s Gravenhage van 27 juni 2023 zaaknummer SGR 21/4506 PW V96 wordt als volgt overwogen. Tijdens de zitting vond een schikking plaats. Hierdoor zijn partijen het eens geworden dat de terugvordering van de bijstandsuitkering over de periode van 7 april 2015 tot 24 april 2019 beperkt moet worden tot een bedrag van € 1.020. Doordat stortingen herleidbaar waren. De vordering over deze periode bedroeg € 1.782,50. Dit betekent dat de vordering wordt verlaagd met € 762,50. Verder bedraagt de netto vordering in de periode 24 april 2019 tot en met 2 december 2020 € 19.825,06. Omdat in deze vordering ook nog een stukje april zit a € 38,07 wordt dit bedrag op dit deel van de vordering in mindering gebracht. Hiervan blijft dan over € 19.786,99.
In totaal bedraagt de netto terugvordering
Netto terugvordering
01 april 2015 t/m 31 maart 2019
Fraude
€ 1.020
Netto terugvordering
01 april 2019 t/m 31 dec 2020
Fraude
€ 19.786,99
Netto terugvordering
01 juli 2019 t/m 31 juli 2019
Fraude
€ 360
Netto terugvordering
01 juli 2020 t/m 31 juli 2020
Fraude
€ 360
Totaal
€ 21.526,99
(…)”
3. Ter zitting is duidelijk geworden dat de hoogte van het terugvorderingsbedrag niet meer in geschil is. In geschil is uitsluitend de grond van eiser dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte de terugvorderingsperiode heeft verlengd met de periode van 3 december 2020 tot en met 31 december 2020. Deze grond slaagt niet. Hiertoe wordt het volgende overwogen.
3.1.
Aan eiser is geen algemene bijstand uitbetaald na 2 december 2020. De bijstand is ingetrokken over de periode tot en met 2 december 2020. Dat staat vast. Zoals de gemachtigde van het college ter zitting heeft toegelicht is in de tabel sprake van een kennelijke verschrijving. Dat blijkt ook uit de motivering die aan de tabel vooraf gaat. De terugvorderingsperiode is niet verlengd en loopt tot en met 2 december 2020.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Paridon, rechter, in aanwezigheid van mr. H.J. Verspuij-Fung, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.