ECLI:NL:RBDHA:2024:8206
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen sluiting woning wegens handel in drugs
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen tegen het besluit van de burgemeester van Den Haag om een woning voor drie maanden te sluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. De sluiting volgde op het aantreffen van een handelshoeveelheid cocaïne en bewijs van drugshandel vanuit de woning.
Verzoekers voerden aan dat de drugs voor eigen gebruik waren, dat er geen sprake was van openbare ordeverstoring en dat de sluiting onevenredig was vanwege de gevolgen voor verzoekster en haar minderjarige kind. De voorzieningenrechter oordeelde echter dat de burgemeester bevoegd was tot sluiting, gelet op de omvang van de aangetroffen drugs, de politierapportages, chatberichten en verklaringen.
De noodzaak van de sluiting werd bevestigd vanwege de ernst van de drugshandel en de kwetsbaarheid van de wijk. Ook werd geoordeeld dat de duur van drie maanden evenwichtig was, mede omdat verzoekers onvoldoende aannemelijk maakten dat zij niet in staat waren vervangende woonruimte te vinden en er geen sprake was van verminderde verwijtbaarheid.
De voorzieningenrechter concludeerde dat het bezwaar waarschijnlijk niet tot een ander besluit zal leiden en wees het verzoek om voorlopige voorziening af.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de sluiting van de woning wordt afgewezen.