ECLI:NL:RBDHA:2024:826

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 januari 2024
Publicatiedatum
25 januari 2024
Zaaknummer
NL23.39222
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 16 DublinverordeningArtikel 17 DublinverordeningBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit Dublin-overdracht wegens gewijzigde psychische situatie asielzoeker

Eiser diende een asielaanvraag in die door de staatssecretaris niet in behandeling werd genomen omdat Duitsland verantwoordelijk werd geacht voor de behandeling (Dublinprocedure).

Tijdens het beroep werden nieuwe medische stukken overgelegd waaruit bleek dat eiser ernstig psychisch leed en een suïcidepoging had gedaan. Ook speelde zijn in Nederland woonachtige broer een cruciale rol in zijn mentale ondersteuning. Deze gewijzigde omstandigheden zijn relevant voor de beoordeling van het overdrachtsbesluit.

De staatssecretaris vroeg om aanhouding van de procedure voor een BMA-onderzoek, maar de rechtbank wees dit verzoek af omdat het voorgestelde onderzoek onvoldoende recht doet aan de verslechterde situatie en afhankelijkheid van eiser van zijn broer.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en oordeelde dat de staatssecretaris opnieuw moet beslissen, waarbij rekening moet worden gehouden met de nieuwe feiten en het beroep op artikel 16 van Pro de Dublinverordening.

De staatssecretaris werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en de staatssecretaris moet opnieuw beslissen rekening houdend met de gewijzigde omstandigheden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.39222
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 januari 2024 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. A.J.M. Mohrmann),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid

(gemachtigde: mr. R.S. Helmus).

Procesverloop

1. Bij besluit van 14 december 2023 (het bestreden besluit) heeft de staatssecretaris de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.
1.1
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en aanvullende gronden ingediend.
1.2
Naar aanleiding van de aanvullende gronden van eiser heeft de staatssecretaris een aanhoudingsverzoek ingediend. Het aanhoudingsverzoek is tijdens de zitting besproken en afgewezen.
1.2
De rechtbank heeft het beroep op 8 januari 2024 op zitting inhoudelijk behandeld. Op de zitting zijn verschenen: eiser, de broer van eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de staatssecretaris.
1.3
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.750.-.

Overwegingen

2. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
3. Eiser heeft hangende het beroep nadere stukken ingediend die zien op zijn medische situatie. Het gaat dan met name om het medisch journaal en een rapport van het Zaans Medisch Centrum. Uit die stukken blijkt dat eiser ernstig psychisch lijdt, dat hij nadat het bestreden besluit is genomen een suïcidepoging heeft gedaan en dat zijn in Nederland woonachtige broer een belangrijke rol speelt in de mentale ondersteuning en verzorging van eiser. De rechtbank stelt vast dat deze stukken en de daarin vermelde nieuwe feiten en omstandigheden relevant zijn voor de beoordeling van het bestreden besluit. Immers, gelet op de gewijzigde feiten en omstandigheden komt de vraag op of eisers psychische situatie op dit moment aan een feitelijke overdracht in de weg staat. Ook de staatssecretaris heeft dit onderkend. De staatssecretaris heeft de ochtend voor de zitting een aanhoudingsverzoek ingediend omdat hij tot de conclusie kwam dat gezien de nieuwe informatie er een BMA-onderzoek uitgevoerd moet worden. Dit in verband met het beroep van eiser op het arrest CK. Daarmee geeft de staatssecretaris te kennen dat hij rekening wil houden met de nader ingediende stukken. Gelet hierop zal (ook) de rechtbank de aangevoerde nieuwe feiten en omstandigheden bij de beoordeling betrekken.
3.1
Op de zitting gaf eiser aan dat ook volgens hem een BMA-onderzoek nodig is, maar dat een BMA-onderzoek dat enkel ziet op de vraag of een overdracht aan Duitsland leidt tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheidstoestand geen recht doet aan de verslechterde situatie van eiser. Eiser voert aan dat er een heroverweging dient plaats te vinden vanwege de gewijzigde, verslechtere omstandigheden, waarbij ook de afhankelijkheid van eiser van zijn broer opnieuw moet worden beoordeeld. Eiser heeft in dit verband een beroep gedaan op het bepaalde in artikel 16 dan Pro wel 17 van de Dublinverordening.
3.2
Tijdens de zitting is besproken of de staatssecretaris bereid is het besluit in te trekken. De staatssecretaris gaf tijdens de zitting aan dat hij het besluit niet in wil trekken omdat hij volgens het beleid en Afdelingsjurisprudentie hangende de Dublinprocedure een BMA-onderzoek aan kan vragen. Omdat niet op voorhand kan worden vastgesteld wat de uitkomst van het onderzoek zal zijn, moet eerst dit onderzoek worden afgewacht voordat eventuele gevolgen van een overdracht een rol kunnen spelen bij het in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser.
3.3
De rechtbank is met eiser van oordeel dat een BMA-onderzoek dat zich enkel richt op de vraag of zich een situatie voordoet als bedoeld in het arrest CK, geen recht doet aan de situatie waarin eiser nu verkeert. De rechtbank maakt uit de medische stukken die zijn overgelegd op dat de broer van eiser een belangrijke rol speelt in eisers welzijn. Dit kan van belang zijn bij een eventuele toepassing van artikel 16 van Pro de Dublinverordening. Of eiser afhankelijk is van zijn broer in de zin van dit artikel, dient opnieuw te worden beoordeeld in het licht van de omstandigheden zoals die zich na de besluitvorming hebben voorgedaan. Die beoordeling wordt met het door de staatssecretaris voorgestane BMA-onderzoek niet gemaakt en zal ook niet worden gemaakt. Dit acht de rechtbank onwenselijk. Om die reden heeft de rechtbank het verzoek om aanhouding afgewezen. Om eiser duidelijkheid te geven omtrent de juridische status van het overdrachtsbesluit, zal de rechtbank het bestreden besluit vernietigen. De staatssecretaris zal in het licht van de nieuwe omstandigheden van eiser opnieuw op zijn asielaanvraag moeten beslissen, waarbij hij ook opnieuw een gemotiveerd standpunt moet innemen ten aanzien van het beroep van eiser op toepassing van artikel 16 van Pro de Dublinverordening.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt en de rechtbank het bestreden besluit vernietigt. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, omdat er nieuw onderzoek nodig is en de besluitvorming naar aanleiding daarvan voorbehouden is aan de staatssecretaris. De rechtbank zal geen termijn bepalen waarbinnen de staatssecretaris een nieuw besluit zal moeten nemen. Daarbij neemt de rechtbank in overweging dat met de in dit geval geldende uiterste overdrachtstermijn reeds een fatale termijn is gegeven.
5. Omdat het beroep gegrond is veroordeelt de rechtbank de staatssecretaris in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.750,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1).
6. Op de zitting is gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2024 door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van mr. T.J. Engberts, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.