Eiser, met de Marokkaanse nationaliteit, is op 12 mei 2024 in vreemdelingenbewaring gesteld door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op grond van artikel 59b lid 1 onder b van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser betwist de rechtmatigheid van deze bewaring en stelt dat hij geen asiel wil aanvragen en dat er geen risico is op onttrekking, omdat hij zo snel mogelijk wil vertrekken.
De rechtbank oordeelt dat eiser op 11 mei 2024 wel degelijk een asielaanvraag heeft ingediend en deze niet heeft ingetrokken. Verder is gebleken dat eiser in het aanmeldgehoor heeft verklaard asiel te willen. De staatssecretaris heeft voldoende gemotiveerd dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken, mede gelet op zijn eerdere illegale inreis en het feit dat hij zich in het verleden aan toezicht heeft onttrokken.
De rechtbank acht de zware gronden onder 3a, 3b en 3c van het Vreemdelingenbesluit 2000 feitelijk juist en voldoende gemotiveerd. Het beroep van eiser dat de bewaring niet noodzakelijk is en dat een lichter middel had moeten worden toegepast, wordt verworpen. De rechtbank concludeert dat de bewaring rechtmatig is en dat het verzoek om schadevergoeding moet worden afgewezen. Het beroep wordt ongegrond verklaard.