Op 23 april 2024 verzocht de eiser om een voorlopige voorziening op grond van artikel 287b lid 1 van de Faillissementswet, met het doel de geplande woningontruiming van 26 april 2024 te verbieden. Tevens werd een verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP) ingediend. De rechtbank stelde in een tussenbeschikking van 24 april 2024 een verbod op ontruiming totdat een eindbeslissing zou volgen.
Tijdens de zitting van 13 mei 2024 werd beoordeeld of aan de voorwaarden voor de voorlopige voorziening was voldaan. De rechtbank constateerde dat er geen aanvang was gemaakt met het minnelijk schuldsaneringstraject en dat het ook niet aannemelijk was dat dit op zeer korte termijn zou gebeuren. De eiser had weliswaar een overeenkomst tot schuldhulpverlening getekend, maar er was geen bewijs dat daadwerkelijk met schuldhulpverlening was gestart of dat de financiële situatie zodanig stabiel was dat huurbetalingen zouden worden hervat.
De rechtbank concludeerde dat het verzoek tot voorlopige voorziening daarom niet kon worden toegewezen. Tevens werd het WSNP-verzoek niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van de benodigde stukken en het feit dat het minnelijk traject niet was gestart. De beslissing werd op 13 mei 2024 in het openbaar uitgesproken door rechter R. Cats.