ECLI:NL:RBDHA:2024:8318

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 mei 2024
Publicatiedatum
30 mei 2024
Zaaknummer
24.1858
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen intrekking besluit verblijfsvergunning asiel

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van 26 april 2024 om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Roemenië verantwoordelijk zou zijn voor de aanvraag.

De staatssecretaris heeft dit besluit op 30 april 2024 ingetrokken en vervangen door een nieuw besluit, waarover in een andere procedure wordt beslist. Hierdoor heeft eiser geen belang meer bij de beoordeling van het oorspronkelijke besluit.

De rechtbank verklaart het beroep tegen het besluit van 26 april 2024 niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang. Omdat het beroep echter op goede gronden was ingesteld voordat het besluit werd ingetrokken, wordt eiser een proceskostenvergoeding van € 875,- toegekend, te betalen door de staatssecretaris.

Eiser en zijn gemachtigde waren afwezig bij de zitting van 27 mei 2024, waar alleen de gemachtigde van de staatssecretaris aanwezig was. De uitspraak is openbaar gedaan door rechter N.M. van Waterschoot.

Uitkomst: Beroep tegen ingetrokken besluit niet-ontvankelijk verklaard en proceskostenvergoeding toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.18580

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. M. Pater),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

(gemachtigde: mr. P. Zijlstra).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 26 april 2024 niet in behandeling genomen omdat Roemenië verantwoordelijk is voor de aanvraag. Op 30 april heeft de staatssecretaris laten weten het besluit van 26 april in te trekken, en heeft hij tevens een nieuw besluit genomen.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 27 mei 2024 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de staatssecretaris. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank stelt vast dat verweerder het bestreden besluit van 26 april 2024 heeft ingetrokken en dit besluit heeft vervangen door een nieuw besluit van 30 april 2024. Over dit laatste besluit wordt in een andere zaak met nummer NL24.19098, uitspraak gedaan..
3. Het onderhavige beroep tegen het besluit van 26 april 2024 is niet ingetrokken. Omdat dat besluit is ingetrokken, heeft eiser geen procesbelang meer bij de inhoudelijke beoordeling van het onderhavige beroep. De rechtbank zal daarom het beroep tegen het besluit van 26 april 2024 dan ook niet-ontvankelijk verklaren.
4. Omdat het besluit ten tijde van het indienen van het beroep nog niet was ingetrokken, heeft eiser op goede gronden beroep ingediend. Daarom krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De staatssecretaris moet deze vergoeding betalen. Verweerder heeft zich ter zitting bereid verklaard om de gemaakte proceskosten te vergoeden. De proceskostenvergoeding bedraagt € 875,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- veroordeelt de staatssecretaris tot betaling van € 875,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van M.A. Postma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.