ECLI:NL:RBDHA:2024:8408
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep verblijfsvergunning asiel wegens vertrek met onbekende bestemming
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
De rechtbank beoordeelt het beroep zonder zitting op grond van artikel 8:54 Awb Pro. Uit vaste rechtspraak volgt dat wanneer een vreemdeling met onbekende bestemming vertrekt zonder de staatssecretaris te informeren over zijn verblijfplaats, wordt aangenomen dat hij geen prijs meer stelt op de bescherming in Nederland en dus geen procesbelang meer heeft.
In deze zaak is vastgesteld dat eiser op of omstreeks 11 april 2024 met onbekende bestemming is vertrokken en dat zijn gemachtigde geen contact meer met hem heeft en niet weet waar hij verblijft. Daarom neemt de rechtbank aan dat eiser geen prijs meer stelt op een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep.
Gelet hierop verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en wordt de zaak niet inhoudelijk beoordeeld. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en geen procesbelang meer heeft.