ECLI:NL:RBDHA:2024:8451
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op uitstel van vertrek wegens onvoldoende bewijs ontoegankelijkheid medische zorg in Nigeria
Eiser, afkomstig uit Nigeria, verzocht om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 vanwege een medische noodsituatie. De staatssecretaris wees dit verzoek af na advies van het Bureau Medische Advisering, dat stelde dat eiser in staat was te reizen en dat enige medische voorziening noodzakelijk was.
Eiser voerde aan dat de medische zorg in Nigeria voor hem feitelijk niet toegankelijk is, met name om financiële redenen. De rechtbank oordeelde echter dat eiser deze stelling onvoldoende had onderbouwd. Hij had geen bewijs geleverd van de kosten van behandeling of medicatie, noch van zijn onvermogen om deze te betalen. Ook de verklaring van zijn zus over financiële onmogelijkheid was niet met stukken ondersteund.
Daarnaast werd het beroep op bewijsnood verworpen omdat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat hij inspanningen had verricht om de gevraagde stukken te verkrijgen. De rechtbank volgde de staatssecretaris ook in de beoordeling dat eiser niet had aangetoond dat hij geen arbeid kon verrichten of zich niet kon verzekeren via het nationale ziektekostenstelsel.
Ten slotte oordeelde de rechtbank dat de staatssecretaris terecht had afgezien van het horen van eiser in de bezwaarprocedure omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en eiser krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: Het beroep op uitstel van vertrek wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van ontoegankelijkheid van medische zorg.