ECLI:NL:RBDHA:2024:8497
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting in vreemdelingenzaak toegewezen
Verzoekster, van Syrische nationaliteit, had bij de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag ingediend voor uitstel van vertrek, welke op 11 april 2024 werd afgewezen. Tegen dit besluit maakte zij bezwaar en verzocht zij de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om haar uitzetting te voorkomen tot de beslissing op het bezwaar is genomen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat op grond van artikel 8:81 Awb Pro een voorlopige voorziening kan worden getroffen indien onverwijlde spoed dat vereist. Verweerder stelde zich niet op het standpunt dat uitzetting mocht plaatsvinden zolang het bezwaar nog niet was beslist.
Gezien de instemming van partijen met het uitstel van uitzetting tot na de bezwaarbeslissing, wees de voorzieningenrechter het verzoek toe. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van verzoekster. Een verdergaande voorziening werd niet noodzakelijk geacht.
De uitspraak is gedaan zonder zitting en is onherroepelijk, omdat tegen deze uitspraak geen hoger beroep of verzet mogelijk is.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen uitzetting is toegewezen en het bestreden besluit geschorst tot de bezwaarbeslissing bekend is.