Eiser, een Ierse Unieburger, is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor medeplegen van doodslag en het verbergen van een lijk. De staatssecretaris beëindigde daarop zijn verblijfsrecht en verklaarde hem ongewenst in Nederland. Eiser voerde aan dat zijn strafrechtelijke veroordeling nog niet vaststaat vanwege een klacht bij het EHRM en dat zijn positieve gedragsverandering onvoldoende is meegewogen.
De rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris terecht uitgaat van de onherroepelijkheid van de veroordeling en dat eiser onvoldoende heeft aangetoond dat hij geen actuele, werkelijke en ernstige bedreiging vormt voor de samenleving. Tevens is het evenredigheidsbeginsel toegepast, waarbij de belangen van eiser als Unieburger zijn meegewogen, maar geen onevenredige gevolgen zijn vastgesteld.
Het beroep wordt ongegrond verklaard, het bestreden besluit blijft in stand en eiser krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter N.M. van Waterschoot en openbaar gemaakt op 4 juni 2024.