ECLI:NL:RBDHA:2024:8521
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen intrekking bijstandsuitkering wegens hoofdverblijfkwestie
Verzoekster heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Delft om haar bijstandsuitkering in te trekken per 1 april 2024, omdat zij volgens het college niet meer haar hoofdverblijf had op het uitkeringsadres.
De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoekster een spoedeisend belang heeft vanwege haar financiële situatie en de zorg voor een minderjarig kind. Het college heeft onderzoek gedaan naar de woonsituatie van verzoekster, waaronder dossieronderzoek, internetonderzoek, waterverbruik, observaties en een verhoor.
De voorzieningenrechter acht de privacy-inbreuk door de observaties proportioneel en gerechtvaardigd op grond van artikel 53a Pw en artikel 8 EVRM Pro. Het college heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat verzoekster haar hoofdverblijf niet op het uitkeringsadres had, mede op basis van haar eigen verklaring en de observaties.
De intrekking van de bijstand is gebaseerd op schending van de inlichtingenverplichting (artikel 17 Pw Pro), wat een dwingendrechtelijke grond is. De voorzieningenrechter ziet geen ruimte voor belangenafweging en wijst het verzoek af. Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de intrekking van de bijstandsuitkering wordt afgewezen.