ECLI:NL:RBDHA:2024:8547
Rechtbank Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot vaststelling Nederlanderschap minderjarige op grond van artikel 17 RWN
Verzoekster heeft bij de rechtbank Den Haag een verzoek ingediend tot vaststelling van het Nederlanderschap van haar minderjarige kind, geboren in Canada, op grond van artikel 17 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). De rechtbank heeft kennisgenomen van diverse schriftelijke stukken en heeft de zaak op 9 april 2024 behandeld, waarbij verzoekster niet is verschenen.
De kern van het geschil betreft de vraag of de minderjarige het Nederlanderschap bezit via zijn ouders. Verzoekster stelt dat zij en de man, beiden Nederlandse staatsburgers, de ouders zijn en dat het kind vanaf de geboorte Nederlander is. De IND betwist dit en voert aan dat de juridische afstammingsrelatie niet is vastgesteld, dat de moeder op de geboorteakte een andere naam en geboortedatum heeft, en dat het Islamitische huwelijk niet rechtsgeldig is. Ook was de man ten tijde van de geboorte nog geen Nederlander.
De rechtbank oordeelt dat niet kan worden vastgesteld dat verzoekster de moeder is zoals vermeld op de geboorteakte en dat de man niet de juridische vader is. Ondanks het lopende DNA-onderzoek is er onvoldoende bewijs om het Nederlanderschap vast te stellen. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap van de minderjarige wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van juridische afstamming en nationaliteit.