De zaak betreft een verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, die sinds 10 maart 2024 verblijft bij een jeugdhulpaanbieder. De kinderrechter heeft op 8 februari 2024 reeds een eerdere verlenging toegekend tot 18 april 2024. De minderjarige voelt zich veilig en kan zich openstellen, wat leidt tot minder zelfbeschadiging. Er is een diagnostisch onderzoek gepland om haar verdere hulpbehoefte vast te stellen.
De moeder is bereid mee te werken aan de behandeling en bezoekt de minderjarige, waarbij beiden het fijn vinden tijd samen door te brengen. De kinderrechter benadrukt het belang van het vertrouwen dat de moeder ontwikkelt in de hulpverlening, wat positief bijdraagt aan het welzijn van de minderjarige.
Op grond van artikel 1:265b lid 1 BW is de verlenging noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De machtiging wordt verlengd tot 18 november 2024, de duur van de lopende ondertoezichtstelling, met het oog op een periode van rust en verdere ontwikkeling. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en het hoger beroep is binnen drie maanden mogelijk.