De rechtbank Den Haag heeft op 26 januari 2024 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen de verdachte, die werd beschuldigd van vier feiten, waaronder twee berovingen, bezit van valse bankbiljetten en het bezit van een gaspistool. Tijdens de terechtzitting van 12 januari 2024 zijn de standpunten van de officier van justitie en de verdediging besproken.
De rechtbank sprak de verdachte vrij van de eerste twee feiten, de berovingen, vanwege onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. De verklaringen van aangevers waren tegenstrijdig en onvoldoende ondersteund door bewijsmiddelen. Ten aanzien van het bezit van valse bankbiljetten en het bezit van het gaspistool achtte de rechtbank de feiten wel bewezen. De verdachte had de biljetten met het oogmerk om deze als echt uit te geven en droeg het gaspistool op straat bij zich.
De rechtbank legde een gevangenisstraf van vier maanden op, aanzienlijk lager dan de eis van 36 maanden, mede vanwege de vrijspraak van de berovingen. Daarnaast werd de voorwaardelijke invrijheidstelling van de verdachte voor 180 dagen herroepen wegens het niet naleven van de voorwaarden, aangezien de verdachte opnieuw strafbare feiten pleegde tijdens de proeftijd.
De strafoplegging hield rekening met het strafblad van de verdachte, het recidiverisico en de maatschappelijke impact van het bezit van valse biljetten en wapens. De rechtbank achtte een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming passend gezien de ernst van de feiten en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.