ECLI:NL:RBDHA:2024:8603
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- B.F.Th. de Roos
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep tegen vreemdelingenrechtelijke ophouding wegens ontbreken beroepsgronden
De rechtbank Den Haag heeft op 3 juni 2024 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak waarin eiser beroep instelde tegen zijn ophouding op grond van artikel 50, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De ophouding vond plaats op 18 mei 2024 en duurde van 16:30 tot 21:35 uur.
Eiser, een Indiase staatsburger geboren in 1991, stelde dat de ophouding onrechtmatig was, maar heeft geen concrete beroepsgronden ingediend ondanks een expliciete verzoek van de rechtbank om deze binnen een gestelde termijn aan te leveren. De rechtbank heeft het beroepschrift beoordeeld en vastgesteld dat het ontbreken van gronden betekent dat het beroep niet-ontvankelijk is.
De rechtbank benadrukte dat de rechtmatigheid van de ophouding niet ambtshalve wordt getoetst en dat het ontbreken van beroepsgronden leidt tot niet-ontvankelijkheid van het beroep. De proceskosten worden niet vergoed aan eiser. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het beroep tegen de vreemdelingenrechtelijke ophouding is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van beroepsgronden.